Opvoeringsvoorwaarden HEKSENHAMER


KORTE INHOUD:
Sam Stookers, een mislukt schrijver van griezelverhalen, ontvangt van 'een vurige fan van zijn werk' het dagboek van een zestiende eeuwse heksenjager. Die heeft destijds zijn eigen vrouw ontmaskerd als zijnde een heks en haar op de brandstapel gezet. Wanneer Sam een portret van deze vrouw onder ogen krijgt, die als twee druppels water op zijn eigen echtgenote lijkt, staat het voor hem vast. Hij heeft al zijn tegenslagen en mislukkingen te danken aan zijn vrouw, die een heks is..."Heksenhamer" is een bloedstollende pyschologische thriller, waarin de wurgende spanning langzaam maar zeker ten top gedreven wordt!

ROLVERDELING:
Sam Stookers: schrijver van middelbare leeftijd.
Karen: zijn vlotte en modieuze jonge vrouw.
Tania: haar jongere zus.
De commissaris/de dokter/de patiënt: al oudere man.
Linda/de dokteres: een jonge vrouw.

DECOR:
Een ruimte, afgezet met wit doorzichtig plastic. Door middel van zetstukken, opgebracht door de dokter en de dokteres, worden achtereenvolgens een zitkamer, een politiebureau en een weekendhuisje gesuggereerd. In de witte wanden is een ruimte uitgespaard, waarlangs de acteurs op- en afgaan. Op de witte wanden kan een schimmenspel geprojecteerd worden.

OPVOERINGSVOORWAARDEN:
Wie dit stuk wenst op te voeren, dient over een geschreven toestemming te beschikken van de auteur: klik op de titel.

Heksenhamer - deel 1 van een griezelige thriller van Patrick Bernauw

PROLOOG

Voor het doek.
In het licht van een spot verschijnt de dokter. Hij heeft een spiekbriefje in de hand en houdt een korte toespraak tot het publiek.

DOKTER: Dames en heren... Zoals u wellicht weet, staat dit centrum vooral bekend om zijn experimentele behandeling van psychische aandoeningen als schizofrenie, mythomanie en paranoia. Door middel van de techniek van het psychodrama, tracht men patiënten inzicht te verschaffen in de omstandigheden die hebben geleid tot hun psychisch trauma, om op deze wijze tot een therapeutisch proces te komen. Onder toezicht van speciaal hiertoe opgeleid personeel en met de hulp van geselecteerde acteurs en actrices, spélen zij als het ware "de rol van hun leven". Zij hér-beleven het trauma keer op keer en worden door die ervaring in staat gesteld er op een gezonde wijze mee om te gaan en zélf tot een evenwichtige analyse te komen van hun situatie. Tijdens het spelproces worden hen immers ook alternatieven aangereikt en zien zij hun woorden en daden beoordeeld door de andere, leren zij afstand te nemen en opnieuw te functioneren in de maatschappij. Vanavond, dames en heren, zult u getuige zijn van een dergelijke proeve van experimentele psychotherapie, van een psychodrama... Mag ik u voorstellen... "Heksenhamer!"

Hij verdwijnt in de coulissen. Spot uit.
Het doek gaat open.

EERSTE BEDRIJF

EERSTE TAFEREEL

Licht fade in. Op muzikale soundtrack brengen de dokter en de dokteres door de opening in de witte wanden achtereenvolgens een tafel, twee stoelen en een fauteuil op. Sam staat een brief te lezen. Hij merkt hen niet op. Muziek fade out.

SAM: Geachte Heer... Met veel genoegen heb ik uw jongste roman, "Heksenflora", gelezen. Vandaar dat ik u nu ook deze brief schrijf. Kort geleden kon ik namelijk door een toeval de hand leggen op een zestiende eeuws dagboek van een inquisiteur uit de Nederlanden. Daarin heeft deze man het uitvoerig over zijn ervaringen met heksen. Gezien uw interesse voor het onderwerp, zou het mij een eer zijn indien ik u een kopie van deze geschriften mocht voorleggen. Om persoonlijke redenen hou ik er evenwel aan anoniem te blijven. Met de meeste hoogachting... Een fan van uw werk.

Sam blijft naar de brief staren. Karen komt op, blijft staan, bekijkt hem kritisch.

KAREN: Sam?
(als hij niet reageert, komt zij dichterbij; legt haar hand op zijn schouder; met meer aandrang:)
Sam?

SAM: Ja?

KAREN: Voel je je niet lekker?

Pas nu lijkt Sam zich bewust te worden van de hand op zijn schouder. Hij glipt weg, alsof ze hem pijn doet.

SAM: Wat is er?

KAREN: Ik vroeg of je je niet lekker voelt.

SAM: Toch... Het is alleen maar...
(vermant zich, geeft haar de brief)
Lees even, wil je.

Karen neemt de brief van hem aan en begint te lezen. Ze maakt zich al gauw vrolijk.

KAREN: (leest:)
Met de meeste hoogachting...
(leest, lacht:)
Een fan van uw werk?
(naar Sam:)
Dat is ook lang geleden!

SAM: Hoezo?

KAREN: Dat je nog zo'n brief gekregen hebt! Van een échte fan!

SAM: Waarom probeer je me altijd zo te vernederen, Karen?

KAREN: Ik probeer je niet te vernederen.
(vouwt de brief zorgvuldig dicht)
Ik stel alleen maar vast.

SAM: Je stelt alleen maar vast dat ik een schrijvertje van niks ben.

KAREN: Dat het lang geleden is dat jij nog een brief van een lezer gekregen hebt, Sam! Meer niet!

SAM: Een griezelschrijvertje dan nog. Geef het toch toe!

KAREN: Maak je niet zo druk.

SAM: (grist haar de brief uit de handen)
Het is de waarheid en ik maak me niet druk!

Karen gaat zitten in de fauteuil, kruist de benen, observeert hem. Sam begint de brief opnieuw te lezen, kijkt dan op, naar haar.

SAM: Vind je 't... vind je 't geen vreemde brief?

KAREN: (na een pauze)
Vreemd? Nee. Waarom?

SAM: Het dagboek van een inquisiteur uit de Nederlanden... En dat wil hij me zomaar geven... En om persoonlijke redenen wil hij anoniem blijven...
KAREN: Hij zal ze wel niet alle vijf op een rijtje hebben... Jouw soort boeken trekt nu eenmaal griezelige ventjes aan, Sam... Gekke ventjes...

SAM: Begin je nu wéér!?

KAREN: Maar waarschijnlijk komt er niet eens meer een vervolg op die brief. Gewoon een vies oud mannetje dat zich een beetje interessant wil maken, dat is alles.

SAM: (kijkt haar lange tijd twijfelend aan)
Nee... Nee, dat denk ik niet...

KAREN: Waar werd hij gepost?

SAM: Hier. In Brugge.

KAREN: 't Zal wel een flauwe grappenmaker zijn. Het dagboek van een inquisiteur uit de Nederlanden, stel je voor!
(staat op)
Ik ga voor eten zorgen.
(gaat af)

SAM: (strijkt krampachtig over zijn voorhoofd, sluit de ogen)
Breng je me een aspirientje?

KAREN: (blijft staan)
Hoofdpijn?

SAM: Ja.

KAREN: Je moet dringend eens naar de dokter.

SAM: Het is migraine. Daar kunnen dokters weinig aan doen.

KAREN: (bezorgd tot bij hem, neemt hem in haar armen)
Je hebt ook weer slecht geslapen vannacht, hé?

SAM: (weert haar af)
Ach...

KAREN: Waar zit je altijd zo over te tobben, Sam?
SAM: Ik kan niet werken, da's al... Ik kan me niet meer concentreren... Soms denk ik dat "Heksenflora" wel m'n laatste boek zal zijn... Alsof ik al mijn inspiratie, al mijn energie in dat ene boek heb gestoken... Nu blijft er niks meer over... Ik ben opgedroogd...

KAREN: (neemt hem opnieuw in haar armen)
Trek het je niet zo aan. Ik verdien toch genoeg voor ons beiden?

SAM: (duwt haar bruut van zich af)
Maar dat is het nou net, stomme trut!

KAREN: (geschrokken)
Rustig aan, Sam... Je hoeft me niet zo af te bekken.

SAM: (vermoeid)
Breng me nu een aspirientje... ja?

Karen gaat af. Sam kijkt haar na, begint dan de brief opnieuw te lezen.

SAM: (mompelend)
Wat ik nodig heb... is een nieuw boek... dat inslaat als een bom...
Je maakt me kapot, Karen... Mijn zelfrespect... Je kunt alles beter, je verdient veel geld, je bent in alles zo handig en altijd zo rustig en... en ik ben alleen maar een mislukt griezelschrijvertje met een writer's block...
(kijkt opnieuw naar de brief)
Misschien kun jij me helpen... Met dat dagboek van jou... Ja, misschien...

Sam glimlacht, maar dan trekt er een pijnlijke grimas over zijn gezicht. Hij verfrommelt de brief krampachtig en kreunt.

SAM: Als die verdomde hoofdpijn nu maar...

Hij laat de brief op de grond vallen.
Fade out.

TWEEDE TAFEREEL

Licht fade in.
Karen zit in de fauteuil een duur modetijdschrift te lezen. Tania komt op.

TANIA: Joehoe!

KAREN: (kijkt op)
Tania!?

TANIA: Heb je de winkelbel niet...?

KAREN: (springt op)
Ssst!
(kust haar vluchtig)
Nee. Ik heb ze afgezet. Sam slaapt.

TANIA: O.

KAREN: En waaraan heb ik dit onverwacht bezoek te danken?

TANIA: Nou... Ik was toch in de stad... Ik zal maar even bij Karen aanlopen, dacht ik bij mezelf.

KAREN: Goed gedacht, Tania. Dat zou je vaker moeten doen.

TANIA: Ach ja, je weet hoe dat gaat... Ik mag dan wel lesgeven en veel vrije tijd hebben, maar...

KAREN: Koffie?

TANIA: Graag.

Karen gaat af. Tania kijkt rond, niet erg op haar gemak. Ten slotte gaat ze aan de tafel zitten. Karen keert terug met een dienblad, waarop kopjes, een koffiekan, enzovoort. Ze gaat tegenover Tania zitten en schenkt uit.

TANIA: (met gedempte stem)
Eerlijk gezegd, is het een hele opluchting.

KAREN: Een opluchting?

TANIA: Dat hij slaapt.

KAREN: O... Je bedoelt Sàm?

TANIA: Ja, die bedoel ik.

KAREN: (met een triest glimlachje)
Ik begrijp je best, hoor... Sam is al lang geen aangenaam gezelschap meer... Hij jaagt alle mensen de deur uit met zijn... enfin... Komt het daarom dat ik jou ook niet meer zo vaak zie?

TANIA: Bah...

Tania drinkt van haar kopje om niet te moeten antwoorden. Karen observeert haar, drinkt dan zelf van haar kopje. Nu observeert Tania haar.

TANIA: Je hebt zwarte randen onder je ogen.

KAREN: Weinig geslapen, vannacht. Sam ligt altijd maar te woelen en dan doe je natuurlijk zélf ook geen oog dicht.

TANIA: Je zou eens...
(bijt op haar lip)
Je zou eens naar een huwelijksconsulent of zo moeten gaan.

KAREN: Ik red het wel alleen, Tania.

TANIA: Echt?

KAREN: Echt.

Karen steekt een sigaret op.

KAREN: En als wij al... professionele hulp nodig hebben... dan niet van een huwelijksconsulent, maar van een psychiater.

TANIA: Jij bij een psychiater!?

KAREN: Niet voor mij. Voor hém.

TANIA: Is het zo erg?

KAREN: Soms benijd ik jou, Tania... Een fijne man, een wolk van een baby, een leuke job... Jij hebt alles wat je je maar dromen kunt... Alles waar ook Sam en ik van droomden, voordat...
TANIA: Voordat wàt?

KAREN: Voordat "Mandragora" flopte.

TANIA: Die dikke pil?

KAREN: Hij had er meer dan een jaar aan gewerkt.

TANIA: Ik vond het onleesbaar.

KAREN: Toen is het begonnen... Voor hem was het meer dan zomaar een horror-romannetje... Hij had grote literaire ambities met dat boek... En hij verwachtte er zoveel van... Het was de enige mogelijkheid die hij nog zag om zich in mijn ogen wààr te maken.

TANIA: Mannen...

KAREN: Natuurlijk vergiste hij zich daarin. Maar toch ziet hij zich sindsdien op alle vlakken als een mislukkeling.

TANIA: Zit de zaak er ook voor niets tussen?

KAREN: Mmm... Het zal hem ook wel dwars gezeten hebben dat we de winkel gekregen hebben van papa... Hij heeft geen verstand van antiek en kan dus nergens mee helpen, terwijl ik... Ik ben opgegroeid temidden van die ouwe spullen...

TANIA: Maar ik dacht toch dat jullie overeengekomen waren...?

KAREN: ... dat hij zich geheel kon wijden aan zijn schrijverij en dat ik voor een inkomen zou zorgen, zo lang het daarmee niet zo best liep. Ja. Dat was de afspraak. Ik vind het nog altijd een goeie afspraak... De zaak loopt lekker... Maar hij... Sam had toen al de illusie dat hij het binnenkort écht zou maken, op grote schaal, worldwide... Dat hij de ene bestseller na de andere zou produceren... Hij spiegelde zich een beetje té veel aan Stephen King, geloof ik.

TANIA: En wanneer hij eenmaal beroemd was en geld met hopen verdiende, dàn pas zou hij jouw gelijke worden... Hé?

KAREN: Maar het lukte niet.

TANIA: Hij blééf financieel afhankelijk van jou.

KAREN: En dat zit hem dwars...

TANIA: Maar al die vrouwen dan die financieel afhankelijk zijn van hun man?

KAREN: Oh! Die mannen van tegenwoordig, die "nieuwe", moderne mannen mogen dan al de mond vol hebben over andere taakverdelingen en zo, in wezen zijn het toch nog altijd dezelfde primaire mannetjesdieren, Tania... Me Tarzan, you Jane, weet je wel? En slagen ze niét, dan voelen ze zich gekrenkt. Dan voelen ze zich beklagenswaardige onbenullen. Zo zitten ze nu eenmaal in elkaar.

TANIA: Maar daarmee zijn je problemen nog niet van de baan.

KAREN: Nee, jammer genoeg niet. Zijn studies heeft hij laten floppen om zich geheel en al aan de Literatuur te kunnen wijden, maar met de Literatuur wil het maar niet lukken...
(staat op, keert zich af, fluisterend)
En kindjes maken kan hij ook al niet.

TANIA: (geschrokken)
Hé?

KAREN: Sorry, ik euh...

TANIA: (staat op, gaat tot bij haar)
Bedoel je dat hij niet...?

KAREN: (vaag lachje)
Neenee, dàt kan hij nog wel. Maar... Kijk, een paar jaar terug dachten we nog dat een kind alles zou oplossen... Ik stopte met de pil, maar ik raakte niet zwanger... Ik liet mij onderzoeken, want mannen denken natuurlijk dat het alleen maar aan de vrouw kan liggen als er zoiets gebeurt... Maar met mij was niets aan de hand... Toen liet hij zich onderzoeken en bleek dat er iets mis was met zijn zaadcellen... Enfin, het zijn er te weinig om vruchtbaar te zijn en hun kwaliteit is ook niet zo best...

TANIA: Waarom heb je me dat nooit eerder verteld, Karen?

KAREN: Och ja... Waarom...

TANIA: En opnieuw voelt hij zich...?

KAREN: ... te kort schieten, ja. Hij wijt het aan de stress. En de stress wijt hij dan weer aan mij, zodat het eigenlijk zo is dat ik de oorzaak ben van het feit dat hij geen kindjes kan maken...

TANIA: Dat klinkt nogal paranoïde, als je 't mij vraagt.

KAREN: En de jongste tijd klaagt hij ook altijd over hoofdpijn... Soms ben ik bang voor hem, Tania... Hij is veranderd... Soms kijkt hij me zo vreemd aan... Alsof hij me... hààt. Achter alles wat ik zeg of doe, ziet hij een beschuldiging aan zijn adres... Nu ja, af en toe wordt het mij ook een beetje te bar... Hij zit daar maar de hele dag te kniezen en zich te wentelen in zelfmedelijden... En dat wantrouwen van hem jaagt me de muren op... Als ik in een restaurant de rekening durf vragen, voelt hij zich al gekwetst...

TANIA: Hou je nog van hem?

KAREN: Ik weet het niet...

TANIA: (neemt haar hand)
Je moet me maar eens meer bellen, Karen...

KAREN: Ja... Ja, dat zal ik doen...

TANIA: Ik moet nu gaan, maar... Bellen hé?

KAREN: Ja.

TANIA: Afgesproken?

KAREN: Afgesproken.

Tania kust haar op de wang en gaat af. Licht fade out.

DERDE TAFEREEL

Sam zit aan tafel in een manuscript te bladeren. Op de tafel ligt ook een boek van Colin Wilson ("Het Occulte"). Karen komt op.
SAM: Karen?

KAREN: Ja?

SAM: Die vent heeft me een nieuwe brief gestuurd.

KAREN: O.

SAM: Had je niet gedacht, hé?

KAREN: Nee.

SAM: Best interessant, hoor.

KAREN: Dat zal wel.

SAM: Ben je niet geïnteresseerd?

KAREN: Toch...

SAM: Er zat een manuscript bij. Van die inquisiteur. Zijn dagboek, weet je nog?

Karen probeert over zijn schouder het manuscript te lezen, maar hij vouwt het snel dicht.

KAREN: Mag ik het niet lezen?

SAM: Het is niks voor gevoelige zieltjes.

KAREN: Ik kan er wel tegen.

SAM: (draait zich om, venijnig)
Natuurlijk kun je er tegen! Je hebt immers ook mijn boeken uitgelezen, nietwaar? Dan moet je ook dit wel kunnen verdragen! Is het dàt wat je wil zeggen, Karen? Is het dàt?

KAREN: Sam toch!

SAM: (staat op)
Hij bracht een heleboel heksen op de brandstapel, die zestiende eeuwse.

KAREN: Anders zou het geen inquisiteur geweest zijn.

SAM: Zelfs zijn eigen vrouw, naar het schijnt.

Karen kijkt hem ongelovig aan.

SAM: Hij volgde haar naar de Sabbat, zie je. Ze was een heks.

KAREN: Je gelooft daar toch niet écht in, hé Sam?

SAM: Hoe is je meisjesnaam ook weer, Karen?

KAREN: Hoezo? Dedonker natuurlijk! Dat weet je toch!?

SAM: De vrouw van mijn zestiende eeuwse heette Christina...

KAREN: En dan!? Wat heb ik daarmee te maken?

SAM: Christina De Donckere... Hij volgde haar naar de Sabbat... Ze vrijde met Satan in eigen persoon... En jij, Karen... Wat doe jij...?

Karen draait zich om en loopt huilend weg. Sam kijkt haar lang na en barst dan uit in een schaterlach. Daarna loopt hij naar de tafel en neemt het boek dat daar ligt, bladert erin, leest.

SAM: (leest:)
... gevallen waarin de ene huwelijkspartner aan de andere energie lijkt te onttrekken... Er sijpelt energie weg en de dominante partner neemt die min of meer bewust in zich op of zuigt die zelfs daadwerkelijk af...
(klapt het boek dicht, staart voor zich uit)
Heksen kunnen een man onvruchtbaar maken, Karen...
Heksen kunnen de energie uit een man opzuigen zoals een vampier het bloed uit zijn slachtoffer...
Ben ik dààrom zo vermoeid, lieve Karen?
Heksen kunnen een man zegenen met tegenslagen, heksen hebben het Boze Oog... Nietwaar lieve Karen?
(gooit het boek weg, gaat zitten, begint weer in het manuscript te bladeren:)
Geraard Vantcasteel, zestiende eeuws inquisiteur...
Langzaam maar zeker kwam je tot de ontdekking dat je vrouw een heks was...
Christina De Donckere... Karen Dedonker...
Ook jij voelde je altijd zo vermoeid...
Ook jij was onvruchtbaar...
Ook jij...

Karen komt op, aarzelend.

KAREN: Sam?

Sam slaat het manuscript gauw dicht, kijkt op, verdwaasd.

SAM: Karen?

KAREN: Kun je die... die kerel die je het manuscript gestuurd heeft... Kun je hem niet eens... op één of andere manier... hier uitnodigen?

SAM: Wie weet, Karen... Wie weet...

KAREN: Er moet toch een middel zijn om achter zijn naam te komen?

SAM: Ja... Jaja... Er moet zeker en vast een middel zijn...

KAREN: We kunnen hem sàmen opzoeken, Sam...

SAM: Samen... Ja, Karen... We kunnen hem samen opzoeken...

KAREN: (staat achter hem, streelt over zijn hoofd)
Ik zal je helpen...

SAM: (weert haar af)
Ik hoef je hulp niet!

KAREN: (neemt zijn handen)
Help jij mij dan!

SAM: Ik...? Jou...? Waarmee?

KAREN: Gelukkig zijn...

SAM: Ben je dan niet...?

KAREN: Je bent zo veranderd. Soms... herken ik de oude Sam niet meer...

SAM: Soms, Karen... Soms herken ik mezelf niet meer... Als ik het huis uitga en door Brugge loop en de straatjes worden smaller, worden vuiler, worden modderig... en de mensen... de mensen lijken van kleren te veranderen... Zomaar, terwijl ik erbij sta en zonder zich uit te kleden...

KAREN: Dat is niet echt, Sam... Je droomt die dingen maar...

SAM: Dan blijf ik stokstijf staan en dan kijk ik naar de huizen, naar de oude huizen... En naar de mensen die zo weggelopen lijken uit een schilderij van Breughel... of van Jeroen Bosch... Ik kijk naar ze en zij... de huizen en de mensen... zij kijken terug... Ze staren me aan, zonder iets te laten merken van hun gevoelens of gedachten... En ik ben geen vreemde daar, Karen... Ik ben geen vreemde daar...

Sam kust haar en begint schokkend te huilen. Zij omhelst hem, streelt hem sussend over zijn rug. Hij houdt op met huilen, legt zijn hoofd in haar hals. Zijn ene hand gaat naar zijn broekzak. Hij haalt er een priem uit. Hij laat haar los en heft langzaam zijn hoofd op, terwijl hij de priem naar haar hals brengt. Pas op het ogenblik dat hij wil toesteken, merkt Karen wat hij van plan is. Ze grijpt zijn polsen.

KAREN: Sam! Wat doe je!?

SAM: (stoot haar van zich af)
Wat denk je dat ik doe!?
(kijkt met krankzinnige ogen naar de priem, zijn hand trilt hevig)
Er zou bloed op deze priem moeten zitten, Karen! Er zou bloed op deze priem moeten zitten!

KAREN: Je wilde mij...?

SAM: Om je te redden, ik zweer het je! Maar er moest bloed op de priem zitten! En je hebt niet gebloed! Je hebt het zelfs niet eens gevoeld! Je hebt daar een ongevoelig plekje huid, Karen!

KAREN: Wat sta je allemaal te...?

Sam wijst trillend naar haar hals. Karen tast naar de plek. Ze heeft daar een bruine geboortevlek.

SAM: Het duivelsmerk, dat bedoel ik! Het vervloekte, het verdoemde duivelsmerk! Dààr, Karen! Dààr! Dàt bedoel ik, ja!

KAREN: (deinst terug)
Sam...

SAM: Heksen hebben een duivelsmerk op hun lichaam, Karen! Het vervloekte, het verdoemde duivelsmerk! Een verkleurd en ongevoelig plekje huid is het! Dat niet bloedt als men erin prikt! Dat niet bloedt, Karen!

KAREN: Sàm!

SAM: Inquisiteurs gebruikten die truuk om heksen van gewone mensen te onderscheiden! Geraard heeft het me verteld, Karen! En nu...

Karen slaat hem enkele malen met de vlakke hand in het gezicht.

KAREN: Keer terug, Sam! Word wakker! Je droomt!

Sam zakt op zijn knieën, verbergt zijn hoofd in zijn handen.

SAM: Ik wilde je onschuld bewijzen, Karen... Maar er valt helemaal geen onschuld te bewijzen... Je bént een heks...

KAREN: (valt op haar knieën bij hem, schudt hem door elkaar)
Ik ben Karen, Sam! Ik ben je vrouw! Word wakker!

Karen trekt zijn handen van voor zijn gezicht. Sam komt tot zichzelf.

SAM: (zwak, onzeker)
Karen...?

KAREN: (neemt hem in haar armen)
Ik ben het, Sam... Je vrouw... Ik ben geen heks...

SAM: Mijn vrouw...?

KAREN: Goddank! Je bent terug!
SAM: Ik word gek... Krankzinnig, Karen... Ik word langzaam maar zeker helemaal...

KAREN: Ssst... Stil nu maar... Ik ben bij jou, m'n jongen...

SAM: (klampt zich aan haar vast)
Laat me niet alleen...

KAREN: Heb ik je ooit alleen gelaten, Sam? Ik ben bij jou en ik blijf bij jou, Sam... Ik laat je niet in de steek... Maar je hebt hulp nodig, m'n jongen... Hulp van mensen die je kùnnen helpen... Ik kan maar weinig meer voor je doen... Dat begrijp je toch?

Licht fade out.

VIERDE TAFEREEL

Licht fade in.
Karen telefoneert (draagbare telefoon). Op de tafel staat een kistje.

KAREN: Nee dokter, sindsdien heeft hij geen brieven meer ontvangen...
(pauze)
Ja natuurlijk, ik begrijp best dat u niks concreets voor hem kunt doen als hij zélf weigert op consultatie te komen... Maar hij heeft nu eenmaal niet veel op met euh... zieltjesknijpers, zegt hij.
(pauze; ze lacht even kort; pauze)
Is er dan echt niks anders dat u kunt doen dan hem wat pilletjes voorschrijven?
(pauze)
Een voorbijgaande persoonlijkheidscrisis...? Maar ik ben bang, dokter, dat wanneer die droomwereld van hem geconfronteerd wordt met de werkelijkheid, dat dan... nou ja, àlle stoppen doorslaan.
(pauze)
Goed. Dank u.
(pauze)
Ja dokter, ik laat het u wel weten wanneer zich... nieuwe feiten hebben voorgedaan.

Karen legt af en gaat zitten. Ze kijkt peinzend voor zich uit. Dan steekt ze nerveus een sigaret op. Ze grijpt opnieuw naar de telefoon en toetst een nummer in.
KAREN: Tania? Ik heb zonet met psychiater Gijsbrecht gesproken...
(pauze)
Niks aan de hand, zegt hij... Onschuldige waandenkbeelden, zegt hij...
(pauze)
Op gang gebracht door de brieven van die halve gare en dat krankzinnige manuscript, ja... Ze zouden zijn oude complexen opnieuw naar de oppervlakte gehaald hebben... Gelukkig verschilt het handschrift van die brieven en dat manuscript volledig van dat van Sam... Ze moeten dus wel degelijk van een buitenstaander afkomstig zijn... Anders zouden we wel eens met een gevaarlijke vorm van schizofrenie te maken kunnen hebben, zegt hij...
(pauze)
Nee hoor! Als Sam hiervan hoort, begaat hij een ongeluk! En als hij het huis uitgaat, bergt hij het manuscript altijd zorgvuldig op, achter slot en grendel!
(pauze)
Okee, dank je. De groeten daar, Tania. Tot ziens!

Fade in: muzikale soundtrack.
Karen legt de telefoon neer en begint te ijsberen. Ze kijkt naar het kistje op de tafel, loopt er naartoe, keert dan terug. Ze gaat zitten, drukt haar sigaret uit, kijkt naar het kistje. Ze staat op, gaat af, keert terug met een porto. Ze kijkt naar het kistje, loopt er naartoe, keert terug. Neemt het ten slotte vast, probeert het open te maken, maar het lukt niet. De schaduw van Sam verschijnt op de witte wanden, ze merkt die op en loopt snel af.
Sam komt op. Hij opent het kistje met een sleutel die hij om de hals draagt aan een ketting, neemt het manuscript eruit en gaat in de fauteuil zitten lezen. Hij kijkt op, gaat af, keert terug met een dun, vierkant pak, ingepakt in bruin papier, waarop in grote zwarte viltstiften letters "AANGETEKEND" staat geschreven. Hij kijkt ernaar.
Fade out: muzikale soundtrack.

SAM: Geen afzender...

Hij opent het pak. Er valt een briefje uit, dat hij niet opmerkt. In het pak zit een houtskoolportret van Karen. Hij kijkt lang naar de tekening, zonder dat het publiek ze ziet. Zet ze dan zo op de grond dat het publiek de tekening wel ziet, doet een paar passen terug en bekijkt ze. Dan merkt hij het briefje op, dat op de grond is gevallen. Hij neemt het op, scheurt het open, vouwt het open en leest - terwijl hij met een half oog naar de tekening blijft kijken.

SAM: (leest:)
Geachte Heer... Op de plaats waar ik het dagboek aantrof van de zestiende eeuwse inquisiteur uit Brugge, Geraard Vantcasteel, trof ik ook bijgaand houtskoolportret aan. Op een manier die ik u hierbij nog niet kan verklappen, ben ik erachter gekomen dat dit portret met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de echtgenote van de inquisiteur voorstelt, die hij uiteindelijk als zijnde een heks heeft ontmaskerd. Hopend u hiermee van dienst te zijn geweest, teken ik... Met de meeste hoogachting, uw vurige fan.

Sam houdt het briefje in de handen, starend naar het portret. Hij stopt het briefje weg, neemt het portret in zijn handen en kijkt er lange tijd aandachtig naar. Dan begint hij te grijnzen. Hij pakt de houtskooltekening opnieuw in en legt ze op de tafel. Grijnzend gaat hij in de fauteuil zitten, ontspannen wachtend. Zo zit hij daar een tijdje. De schaduw van Karen verschijnt en de grijns verdwijnt van zijn gezicht. Dan komt Karen op.

SAM: Waar heb je nu weer gezeten, Karen?

KAREN: Ik ben om een slof sigaretten geweest.

SAM: O. Nu goed...
(hij schraapt de keel)
Karen?

KAREN: Ja.

SAM: Ik heb je een cadeautje meegebracht.

KAREN: Een cadeautje? Voor mij?

SAM: (beetje verlegen knikkend)
Ik dacht zo bij mezelf: jij hebt één en ander goed te maken, Sam, dacht ik zo bij mezelf... En dus...

Sam neemt het ingepakte houtskoolportret en geeft het aan Karen.

KAREN: Maar...

SAM: Maak open.

Karen maakt het pak open en kijkt naar het portret.
SAM: Wat vind je ervan?

Karen kijkt Sam sprakeloos aan.

KAREN: Maar... Maar dat ben ik!

SAM: Zeer juist, Karen! Dat ben jij!

Karen vliegt Sam om de hals, met portret en al.

KAREN: O Sam! Bedankt! Het is erg mooi! En zo gelijkend! O ik ben zo blij Sam!

SAM: Vind je 't écht leuk?

KAREN: Het is geweldig! En heb je dat speciaal voor mij laten maken?

SAM: Speciaal voor jou, Karen.

KAREN: Waar? Door wie?

SAM: Dàt blijft mijn geheimpje!

Ze kussen elkaar.
Licht fade out.

VIJFDE TAFEREEL

Licht fade in.
Karen zit in de fauteuil een modetijdschrift te lezen. Sam zit aan tafel een eigenhandig gekaft, groot en dik boek te lezen.

KAREN: (kijkt op van haar tijdschrift, naar Sam - na een pauze:)
Wat lees je daar, Sam?

SAM: Summis Desiderantes Affectibus.

KAREN: Summis... wàt?

SAM: Summis Desiderantes Affectibus. Dat is Latijn.

KAREN: Ja, dat hoor ik ook wel. Sinds wanneer ken jij Latijn?

SAM: Het is een vertaling.

KAREN: En wat betekent het dan?

SAM: Het is de vertaling van een pauselijke bul. Dat is zoiets als een encycliek.

KAREN: O... En waarover gaat het?

SAM: Wat dacht je? Over heksen natuurlijk!

Karen gooit haar tijdschrift weg en springt op.

SAM: Maar dat is nog niet het belangrijkste standaardwerk.

KAREN: Nee?

SAM: Nee. Het belangrijkste standaardwerk over heksen is de "Malleus Maleficarum". Ook Latijn. "De Heksenhamer", betekent dat in het Nederlands.

KAREN: De Heksenhamer...

SAM: Daar kun je heel wat bruikbare informatie in vinden, Karen...

KAREN: Hou ermee op, Sam! Hou er onmiddellijk mee op!

SAM: (staat op)
Weet je welke dag het vandaag is?

KAREN: Eénendertig oktober. En dan?

SAM: Allerheiligenavond...

KAREN: Nou en? Ik wist niet dat je zo katholiek was!

SAM: Op die avond volgde Geraard Vantcasteel zijn duivelse echtgenote... Uit de Heksenhamer had hij namelijk opgestoken dat in de nacht van 31 oktober de Kleine Sabbat wordt gevierd...

KAREN: (geïrriteerd)
Kleine Sabbat, Kleine Sabbat...

Ze beginnen een cirkelgang, waarin Sam Karen voor zich uit drijft.

SAM: Ik heb een zwarte kat gezien, Karen... Een zwarte kat die miauwend om dit huis sloop...

KAREN: Ik zie wel meer zwarte katten, weet je... En ik loop ook onder ladders door, zelfs op een vrijdag de dertiende... En voor zover ik weet is mij daardoor nog niks ergs overkomen!

SAM: Een oud dametje dat steeds naar de winkel kwam om te kijken, maar dat nooit iets kocht... Gisteren lag ze bloedend op straat... Onder een bus gelopen... Je hebt haar vervloekt, Karen! Je hebt haar bekeken met jouw Boze Oog en...

KAREN: Hou op of ik ga weg! Nu meteen!

SAM: Mijn zaad is door jou onvruchtbaar gemaakt... Je hebt mijn energie gestolen en allerlei tegenslagen op mijn weg gelegd... Want jij bent nu eenmaal wie en wat je bent, Karen... Je hebt jezelf herkend in het portret van je naamgenote, in het portret van Christina De Donckere! Jij bént Christina De Donckere!

KAREN: Ik ga weg, Sam!

SAM: En ik ben Geraard Vantcasteel... De inquisiteur... Aangenaam!

Karen loopt af.

SAM: (roept haar achterna)
Waar ga je heen, Karen!? De avond is al gevallen! Eénendertig oktober! Allerheiligenavond!
(hij begint waanzinnig te lachen)
Alsof ik niet weet dat je deze ruzie zelf hebt gezocht, om een reden te hebben om er vandoor te gaan...

Fade in: muzikale soundtrack.
Sam houdt abrupt op met lachen en keert zich bruusk om. Hij schrikt hevig, hoewel er niemand in de kamer is. Wanneer hij dit nogmaals doet, wordt het duidelijk dat hij schrikt van zijn schaduw op de witte wanden. Sam staat nu oog in oog met zijn schaduw, heft een hand op, observeert hoe zijn schaduw de hand opheft, enzovoort. Dit schimmenspel gaat zo een tijdje door.
Tijdens de hierna volgende dialoog, praat Sam met zijn schaduw. De tekst van de schaduw wordt door Sam zelf gezegd, met een vervormde stem, het gezicht afgekeerd van het publiek.
Fade out: muzikale soundtrack. Lichtverandering.

SAM: Hoe komt u in mijn huis?

SCHADUW: Herkent u me dan niet?

SAM: Uw gezicht... Ik kan uw gezicht niet zien... Wie bent u?

SCHADUW: Ik ben jouw vurige fan, Sam.

SAM: U bent de geheimzinnige briefschrijver die mij waarschuwde?

SCHADUW: Die ben ik.

SAM: Die mij het dagboek van Geraard Vantcasteel bezorgde?

SCHADUW: Die ben ik.

SAM: Waarom bent u gekomen?

SCHADUW: Omdat de tijd gekomen is, Sam.

SAM: Waarom dringt u zomaar mijn huis binnen? Zonder mijn toestemming te vragen?

SCHADUW: Ik ben gekomen om je te leiden, Sam.

SAM: Leiden...? Waarheen...?

SCHADUW: Zij is snel. Ik weet hoe snel zij is.
Zij is reeds... daarginds. Nu.
Zonder mijn hulp zou je haar nooit vinden, Sam.
Zonder mijn hulp zou je haar nooit zien zoals ze werkelijk is.
Je zou nooit wéten.
SAM: Ik hou van haar.

SCHADUW: Ook ik heb liefgehad, lang geleden...
Ook ik werd gedwongen lief te hebben, lang geleden...
Door haar, Sam. Door hààr!
Zij is een heks. Altijd geweest...

SAM: Maar dan...?

SCHADUW: ... dan ben ik Geraard Vantcasteel, inderdaad.
Ik ben de grote inquisiteur én ik ben uw vurige fan, Sam.
Wij zijn één en dezelfde persoon.

SAM: Geraard Vantcasteel stierf eeuwen geleden!

SCHADUW: Het lichaam sterft, maar de geest niet.
Mijn geest is in jou, zoals jij in mij bent.
Zoals Christina's geest in Karens lichaam is.
Zo, Sam.
Het lichaam is van geen belang. Het is de geest die is.
Ik ben jou en jouw vurige fan en ik ben Geraard, Sam.
Wij zijn allen één.
Zoals zij Christina en Karen is, Sam.
Zo zijn zij beiden één.
En zij leven van ons, Sam.
En hoe méér zij leven, hoe minder wij leven, Sam.
Hoe sterker zij worden, hoe zwakker wij worden, Sam.

SAM: Ik... Ik begrijp het niet...

SCHADUW: Er komt een dag dat je alles zult begrijpen.
Tot die dag zal ik bij jou zijn, Sam.
Om je bij te staan.
Met raad en daad.

Sam zakt op zijn knieën, met de rug naar het publiek. Het licht dooft uit en de schaduw verdwijnt. In tegenlicht wordt door Karen (actrice) en een acteur aan de andere kant van de witte wanden een schimmenspel gespeeld. Het publiek ziet dus alleen hun schaduwen. Alle schimmenspelers dragen nauwsluitende maillots, zodat het lijkt of ze naakt zijn.
Fade in: muzikale soundtrack. De twee schimmen verschijnen.
SCHADUW: Ik zal je leiden, Sam.
Ik zal je de ogen openen.
Zie je?

SAM: Ik zie.

SCHADUW: Wat zie je?

Schimmenspel: de actrice vormt een galg, waaraan de acteur hangt. Maar het kan ook een vreemde soort omhelzing zijn.

SAM: Ik zie een galg...

SCHADUW: Waar?

SAM: In het midden van een veld...

SCHADUW: Want hangt er aan die galg?

SAM: Een lijk...

SCHADUW: Wat gebeurt er met dat lijk?

SAM: Het bengelt in de wind... Kraaien en raven pikken het de ogen uit en scheuren het aan stukken...

SCHADUW: Zie je ook menselijke gestalten?

Schimmenspel: een derde schimactrice maakt de twee vorige schimmen los en doet ze neerzitten op de grond, de man in het midden. De twee vrouwenschimmen vervormen de mannenschim en spelen wat in de dialoog wordt beschreven.

SAM: Twaalf. Ze zitten in een kring.

SCHADUW: Wie zit in het midden van de kring?

SAM: Een man.

SCHADUW: Een mooie man?

SAM: Een misvormde man.

SCHADUW: Beschrijf mij de misvormde man.

SAM: Hij heeft scheve schouders. Klompvoeten.

SCHADUW: Een kippeborst?

SAM: Een staart.

SCHADUW: Vergis je niet!

SAM: Zijn monsterachtig groot geslacht?

SCHADUW: Vertel mij meer over de man.

SAM: Dunne haartjes op zijn schedel... Droog... Ziekelijk droog...

SCHADUW: Zijn oren. Kijk naar zijn oren.

SAM: Puntvormig!

SCHADUW: Wie ziet er aan zijn rechterhand?

SAM: Karen.

SCHADUW: Wie?

SAM: Christina...

SCHADUW: Wie?

SAM: Karen die Christina is!

SCHADUW: Wat doet ze?

SAM: Ze staart in het zwakke licht van een waskaars.

SCHADUW: Welke kleren draagt ze?

SAM: Ze draagt geen kleren. Haar lichaam glimt van het vet.
SCHADUW: Het helpt hen zich in de lucht te verplaatsen. De heksen zijn gekomen uit alle windstreken, Sam... En ze zijn neergestreken in de bosjes, in de bomen of gewoon op het veld... Is het niet zo?

SAM: Het is zo.

SCHADUW: En ze hebben zwarte koeken meegebracht, en zwarte waskaarsen en zwarte hoenders... En ze hebben nog van het bloed druipende lijkjes van pasgeboren baby's meegebracht, Sam... Is het niet zo?

SAM: Het is zo.

SCHADUW: En wat doen ze nu?

Schimmenspel: de vrouwelijke schimmen kussen het achterwerk van de mannelijke schim.

SAM: Ze kussen... de misvormde man.

SCHADUW: Satan. Het is Satan. De Osculum Infama. De Onkuise Kus.

SAM: En zij...

SCHADUW: Wie?

SAM: Karen...

SCHADUW: Wie?

SAM: Karen die Christina is vrijt met hem!

SCHADUW: Kom dichterbij.

Sam kruipt op zijn knieën dichter bij de schimmen.

SCHADUW: Wees niet bang. Ze kunnen je niet zien. Ik heb je onzichtbaar gemaakt. Kom nog wat dichter...

Sam kruipt nog wat dichter, tot vlak bij de witte wanden.

SCHADUW: Wat zie je nu?
SAM: Tafels?

SCHADUW: Spijzen? Dranken?

SAM: Op de tafels, ja!

SCHADUW: Raak ze aan!

Sam strekt zijn hand uit naar de vrijende schimmen, trekt dan zijn hand geschrokken terug en begint te kokhalzen.

SAM: Het is koud! En vies! En glibberig!

SCHADUW: En het stinkt naar bedorven eieren. Is het niet zo?

SAM: Het is zo...

SCHADUW: Maar het lijkt de heksen niet te deren. Is het niet zo?

SAM: Het is zo...

Lichtverandering: weer licht op de scène, licht achter de witte wanden uit. Het schimmenspel verdwijnt. Sam is weer alleen met zijn schaduw, spastisch bewegend, handen over zijn ogen en oren.

SCHADUW: En ze dansen...

SAM: Wilde kringdansen rond de galg met de gehangene... en rond de oude misvormde man...

SCHADUW: Rond Satan. Tegen de wijzers van de klok. Dat doen ze altijd.

SAM: Weerzinwekkende uitspattingen... Mannen, vrouwen, kinderen, dieren... Spinnen, ezels, padden, zwarte katten! Zomaar uit het niets opgedoemd!

SCHADUW: De Sabbat, mijn vriend...

SAM: Schuim op de mond... Ze kruipen waanzinnig rond... Blatend als een schaap, loeiend als een koe... Ze rukken zich de haren uit het hoofd of trekken met hun nagels bloedige sporen door hun huid!

Soundtrack: een haan kraait drie maal. Soundtrack uit.
Sam komt tot rust.

SAM: De haan heeft drie maal gekraaid... Het feest is ten einde... Ik moet naar huis... Naar huis... Naar huis...

Licht fade out.

ZESDE TAFEREEL

Licht fade in.
Sam zit aan tafel te schrijven. Het kistje met het manuscript en de brieven liggen verspreid voor hem. Karen komt op. Ze wil wat zeggen, maar aarzelt, blijft staan. Sam is verdiept in zijn schrijfwerk. Karen nadert hem langs achter, op de toppen van haar tenen. Ze kijkt over zijn schouder en deinst dan geschrokken terug.

KAREN: Sam!

Sam schrikt, kijkt om.

KAREN: Je... Je schrijft die brieven zélf!... Je schrijft die gekke brieven zélf!

Sam kijkt haar grijnzend aan, ze deinst nog verder terug.

KAREN: En dan verstuur je ze... Naar jezélf...

Sam neemt demonstratief het manuscript.

SAM: Interessant dagboek, van die zestiende eeuwse... Wil je de passage horen die ik net las?

KAREN: (handen over haar oren)
Ik wil niks meer horen!

SAM: (leest)
... en toen drong het tot mij door dat ik niet langer mocht aarzelen, en ik arresteerde haar en liet haar in een kerker werpen...

KAREN: Je hebt dat manuscript van die inquisiteur ook zelf geschreven!

Sam legt het manuscript neer, kijkt haar grijnzend aan, staat dan op.

SAM: Geraard Vantcasteel is in mij, zoals zijn vrouw Christina in jou is, Karen... De strijd tussen Goed en Kwaad duurt immer voort...

Karen staat met haar rug tegen de witte wanden. Sam begint haar traag, voetje voor voetje, te naderen.

SAM: Ik heb je bezig gezien, Karen... of moet ik zeggen: Christina?
O! Ik heb je bezig gezien! Heks die je bent! Op de Sabbat! In de Zwarte Mis! Hoér!

Hij staat pal voor haar. Wanhopig zoekt zij naar een uitweg.

SAM: En nu dringt het tot me door dat ik niet langer mag aarzelen, dus zal ik je arresteren en in een kerker werpen...

KAREN: (gillend)
Néé!!!

Sam legt zijn handen om haar nek. Een worsteling. Hij dwingt haar op haar knieën, zijn handen om haar hals.

SAM: Je moet gestraft worden, Karen... Maar wees gerust, je straf zal tegelijk je redding zijn... Je redding van de eeuwige verdoemenis... God is barmhartig, Karen... Als je bekent en berouw toont, zal het vuur je ziel van alle zonden reinigen... Vertrouw op mij, Karen... Geraard en ik hebben het beste met je voor... Het aller-allerbeste... Want de aardse pijn duurt maar even, Karen... Maar de pijnen van de hel... De pijnen van de hel... zijn voor eeuwig...

Licht fade out.
Einde van het eerste bedrijf.

Heksenhamer - deel 2 van de griezelige thriller van Patrick Bernauw

TWEEDE BEDRIJF

Licht fade in. De commissaris en Linda - in doktersjas - zetten een bureau op de lege scène, en brengen daarna ieder een stoel mee. De commissaris gaat zitten achter het bureau, Linda gaat af.

EERSTE TAFEREEL

COMM.: (tot het publiek, alsof hij een lezing houdt)
Ah... Hoe makkelijk is het niet, spoorloos te verdwijnen in Brugge!
Dat weet ik nù... Had ik dat toén maar geweten...
Hoeveel jonge meisjes zijn al niet reddeloos verloren gelopen in deze sferen van voze romantiek, als in een verhaal van Georges Rodenbach!
Ik had moeten weten dat in Bruges-la-Morte de klokken slechts het stof van klanken om zich heen strooien... dat de beiaard hier niet het nieuwe uur slaat, maar de dood van het uur...
Ik had de heksenflora moeten zien, die nog steeds welig tiert tussen de straatstenen... Ik had de geur van zwavel en pek moeten ruiken, die nog steeds zwaar tussen deze muren hangt... Ik had moeten luisteren naar de nachtegalen van het Minnewater, ingetogen zingend over een wereld die voor de meesten onder ons altijd onbereikbaar zal blijven, hoe nabij hij soms ook lijkt...

Linda - in witte doktersjas - verschijnt, observeert hem, noteert.

COMM.: Maar ik zag niéts.
Ik rook niéts.
Ik luisterde naar niéts.
Naar niemand...

Licht fade out.

TWEEDE TAFEREEL

Licht fade in.
Tania stormt naar binnen.

TANIA: Commissaris Verdonck?

COMM.: Ja?

TANIA: Ik heb een aangifte te doen! Van vermissing... Of vermisting... Enfin... er wordt iemand vermist!

COMM.: Ga zitten.

TANIA: (gaat zitten)
Dank u.

COMM.: Ik luister.

TANIA: Het gaat niet over mij...

COMM.: Dat zie ik ook wel.

TANIA: (verlegen glimlachje)
Ik ben een beetje in de war, vrees ik.

COMM.: Doet u maar rustig aan, mevrouwtje... Of is het juffrouw?
(als Tania niet reageert)
Zal ik een kopje koffie voor u halen?

TANIA: Ja... Ja dank u...

De commissaris gaat af. Tania wiebelt nerveus heen en weer op haar stoel. De commissaris keert terug met een beker koffie.

COMM.: Zie, dat kalmeert de zenuwen... Alhoewel het de gezondheid schaadt.
(geeft Tania het kopje en gaat zitten)
Vertelt u me eerst maar even wie u bent.

TANIA: Tania Devriend. Maar ik ben hier niet voor mezelf, zoals ik al zei.

COMM.: Precies. Voor wie bent u hier dan wel?

TANIA: Voor mijn zus. Karen Dedonker. Mevrouw Stookers.

COMM.: (noteert)
Stookers... Met twee o's?

Tania knikt.
COMM.: De Donker, twee woorden? En met ck?

TANIA: Eén woord. En alleen met k.

COMM.: (noteert)
Eén woord. K.

TANIA: Er is iets mis met haar man, meneer de commissaris!

COMM.: Naam?

TANIA: Sam. Sam Stookers.

COMM.: (noteert)
Sam. Juist.

TANIA: O ik weet niet waar ik moet beginnen!

COMM.: Probeer het begin eens, mevrouw Devriend!

TANIA: Het begin, ja... Het begin... Sam Stookers... haar man... is schrijver.

COMM.: Schrijver?

TANIA: Van horror-romans.

COMM.: Juist, ja. Het genre van de spoken en de weerwolven?

TANIA: En van de vampiers en de heksen...

COMM.: De psychopaten met cirkelzagen...

TANIA: Nee, dàt niet... Hij schrijft alleen over... bovennatuurlijke zaken. Niet over psychopaten.

COMM.: Geen psycho dus? Heb de film gezien. Vond er niks aan.

TANIA: Ik hou ook niet erg veel van... van het genre, commissaris. En ik geloof ook helemaal niet in spoken of heksen of zo... Maar als je zo'n verhaaltje leest, ga je er soms, heel eventjes, toch wel een beetje in geloven, nietwaar?
COMM.: Als de wind om het huis huilt en bij volle maan, jaja...

TANIA: Misschien dat ik er daarom niet zo van hou... Omdat het me, heel eventjes, doet geloven in dingen waarin een gezond mens niet wil geloven...

COMM.: Daar zegt u wat...

TANIA: Maar dat zou allemaal nog niet zo erg zijn als Sam Stookers, de griezelschrijver dus, ook niet... niet goed bij zijn hoofd zou zijn...

COMM.: Is dat een eigen diagnose, mevrouw Devriend?

TANIA: Nee. En hij wilde niet geholpen worden door mensen die er verstand van hadden... Dàt ook nog!

COMM.: (binnensmonds)
Zieltjesknijpers... Eerlijk gezegd, zie ik die ook liever gaan dan komen...

TANIA: Zijn vrouw Karen, mijn zuster dus, had professionele hulp gezocht... Men vertelde haar dat Sam leed aan een ongevaarlijke variante van een paranoïde-schizoïde syndroom, of iets dergelijks.

COMM.: Ja. Dat is zo klaar als een klontje.

TANIA: Maar er was méér aan de hand met Sam.

COMM.: Nog meer?

TANIA: Met hun huwelijk ging het bergaf...

COMM.: Dat komt in de beste huwelijken voor, mevrouwtje!


TANIA: En nu is ze plotseling verdwenen...

COMM.: Vermist, dus?

TANIA: Gisteren ging ik naar de winkel. Ze heeft een antiekzaak aan het Minnewater, moet u weten... Ze was er niet, hoewel de winkel open was... Sam hield 'm open... Dat deed hij anders nooit. Ik vroeg hem waar Karen was en hij... hij lachte me uit. Hij zei dat ze weggegaan was, dat ze hem in de steek had gelaten en toen ikzei dat ik dat niet kon geloven, lachte hij me vierkant uit!

COMM.: En is het dan niet mogelijk dat zij...?

TANIA: Karen zou haar zieke man nooit zomaar in de steek laten! Zij is niet dat type vrouw, meneer de commissaris! En ziek is hij, dat mag u rustig van mij aannemen! Dat lachje van hem... gezond is dat allerminst. Ik zei 'm nog dat ik naar de politie zou stappen, maar hij... hij lachte alleen maar. "Wat heb je met haar gedaan?" vroeg ik 'm. En toen keek hij me zo vreemd aan en fluisterde hij: "Vrouwen verlaten hun mannen bij de vleet tegenwoordig, meisje... Wie zal je geloven?"

Tania's stem stokt. De commissaris noteert.

COMM.: Ga verder...

TANIA: Als ze van plan was hem te verlaten, zou ze mij vast en zeker van haar plannen op de hoogte gebracht hebben. Maar nu... nu is ze als van de aardbodem verdwenen. Ze heeft geen adres achtergelaten, niets... Mij zou ze toch gezegd hebben waar ze naartoe ging?

De commissaris begint te ijsberen.

COMM.: Volgens u... moet haar man dus iets te maken hebben met haar verdwijning?

TANIA: Ik vertrouw hem niet. Hij heeft ze niet meer alle vijf op een rijtje. Nooit gehad, trouwens. Ik kwam u dan ook vragen of u geen huiszoeking zou kunnen doen...

COMM.: Daarvoor heb ik een huiszoekingsbevél nodig, mevrouwtje. En daarvoor zijn dan weer sterke vermoedens vereist. Zeg maar: halve bewijzen. Een huiszoeking doen is niet zo eenvoudig als u denkt.

TANIA: Ik ben bang dat hij haar daar... gevangen houdt.

COMM.: Gevangen houdt?

TANIA: Ja... Zoiets... Ik heb zo het gevoel dat ze nog in huis is... Ik meende het op te maken uit de manier waarop hij reageerde... Hij liet mij trouwens geen stap in hun leefruimte zetten... Geen stàp!

COMM.: Maar of hij haar daarom ook in huis gevangen houdt... dat is toch wel een grote stap, mevrouwtje! Geef toe!

TANIA: U kunt dus niets voor me doen?

COMM.: Ik kan haar man... Sam Stookers nietwaar... ik kan hem heel informeel op mijn bureau ontbieden en ondervragen, ja dat kan ik... Heel informeel allemaal...

TANIA: Wel... Doet u dàt dan. Het zou tenminste toch al iéts zijn.

De commissaris helpt haar bemoedigend uit haar stoel en brengt haar naar de opening in de witte wanden.

COMM.: Slaapt u er ondertussen nog maar eens rustig een nachtje over, mevrouwtje... Misschien bekijkt u de zaken morgen op een heel andere manier... Ik hou u in ieder geval op de hoogte... Is dat in orde? Het komt heus allemaal wel goed, hoor... U zult wel zien...

Licht fade out.

DERDE TAFEREEL:

Licht fade in.
De commissaris zit weer achter zijn bureau. Sam komt binnen.

SAM: U wilde mij spreken?

COMM.: Hangt ervan af wie u bent.

SAM: Stookers. Sam. En maak het kort, asjeblief. Ik ben een druk bezet man. Waarvoor had u me nodig?

COMM.: Het gaat over uw vrouw.

SAM: Mijn vrouw? Wat is er met mijn vrouw?

COMM.: Men is bang dat er misschien iets met haar gebeurd kan zijn.

SAM: Ik geloof niet dat ik begrijp wat u bedoelt.

COMM.: Uw vrouw is verdwenen.

SAM: Correctie: ze heeft mij verlaten. Ik heb haar niet tegengehouden.

COMM.: Waar kunnen wij haar vinden?

SAM: Dat moet u mij niet vragen.

COMM.: Wie dan wel?

SAM: Ik weet niet waar ze uithangt en ik wil het niet weten ook.

COMM.: Merkwaardig...

SAM: Het is haar zuster, hé?

COMM.: Pardon?

SAM: Het is haar zuster die u op mijn dak gestuurd heeft, hé? Tania hé? De feeks!

COMM.: Dat kan ik jammer genoeg niet bevestigen.

SAM: Noch ontkennen, zeker? Nou, mij om het even, hoor... Karen en ik, wij zagen het - eufemistisch uitgedrukt - samen niet meer zitten... Dat wil ik heus niet voor u verbergen, commissaris... Zij vond het de beste oplossing haar valiezen te pakken en met de noorderzon te verdwijnen... Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Vroeg of laat duikt ze wel weer ergens op.

COMM.: U houdt haar echt niet thuis?

SAM: (onbegrijpend)
Ik haar thuis houden? Hoe?

COMM.: In de kelder of zo. Onder een laag beton.

SAM: Is dat een beschuldiging, commissaris?

COMM.: Welnee! Het is gewoon wat sommige mensen...
SAM: (onderbreekt woedend)
Sommige mensen, sommige mensen! Sommige mensen kunnen voor mij de pot op, hoort u mij? De pot op! Jaloerse praatjes, dat zijn het! Eén en al nijd en afgunst, dat is het! Artiesten staan nu eenmaal altijd bloot aan achterdocht, commissaris! Zo zitten de mensen in elkaar! Iemand die iets doet of kan wat een ander niet doet of kan, die bekijken ze met een scheef oog!

COMM.: Er bestaat een eenvoudig middeltje dat u boven iedere verdenking zou kunnen plaatsen.

SAM: O ja?

COMM.: Ja.

SAM: Ik snap het al. Een huiszoeking.

COMM.: Bijvoorbeeld.

SAM: Tsja... Waarom niet?

COMM.: U bent het dus met me eens?

SAM: (lacht)
Hoho, niet zo snel, makker! U krijgt geen officiële toelating, neem ik aan, om op basis van wat roddels tot een huiszoeking over te gaan en dus probeert u van mij een officieuze toelating te krijgen...

COMM.: Zo zit dat. En... Wat zegt u daarvan?

SAM: (na een aarzeling)
Gaat u gerust uw gang, commissaris. Met of zonder toelating. Ik zal u geen strobreed in de weg leggen. Mijn geweten is namelijk gerust.

COMM.: (staat op en laat hem uit, glimlachend)
Dan wens ik u nog een goede dag, meneer Stookers.

Licht fade out.

VIERDE TAFEREEL:

Licht fade in.
De commissaris zit achter zijn bureau en richt zich tot het publiek.

COMM.: Ik ben niét tot een huiszoeking overgegaan. Ik was gerustgesteld door zijn reactie. En het leek me een vrij normale man, in tegenstelling tot het zusje, dat toch lichtjes over haar toeren was... Nee Verdonck ouwe jongen, dacht ik, jij gaat je niet voor aap laten zetten.
Maar ik had beter moeten weten.
Ik heb een plattegrond van het middeleeuwse Brugge gezien, die weinig of niets verschilt van een stadsplan uit deze eeuw, die ademloos naar zijn einde snelt.
Ik had beter moeten weten.
Nog steeds bezit de stad de labyrintische vorm van een horlogeveer. Nog steeds is de stad een onoverzichtelijke spiraal, die zich niet stoort aan de wetten van tijd en ruimte, en waardoor de argeloze toerist die niet voorzien is van kaart of kompas voortdurend op zijn of haar vertrekpunt terugkeert. Misleid wordt hij of zij, door de architecten en de urbanisten die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen...
Ik had beter moeten weten.

Linda komt op - gewoon gekleed. Ze schraapt de keel. De commissaris schrikt en staat op.

COMM.: Ja? Wat kan ik voor u doen?

LINDA: Men heeft mij verteld dat u zich bezig houdt met de verdwijning van mevrouw Stookers...

COMM.: Nounou, de verdwijning van mevrouw Stookers, dat is wel erg véél gezegd, hoor... Het klinkt bijna als de titel van een roman!

LINDA: Mijn naam is Linda Mariën en ik heb iets vreemds meegemaakt in de antiekzaak van mevrouw Stookers, meneer...?

COMM.: Verdonck.

LINDA: ... meneer Verdonck. Ik kom daar wel vaker, ziet u... En toen dacht ik: toch maar beter het zekere voor het onzekere nemen.

COMM.: En u besloot mij te vereren met een bezoekje?

LINDA: Ik kwam hierheen, juist.

COMM.: Gaat u dan vooral even zitten.

Ze gaan zitten.

LINDA: Mevrouw Stookers is vermist, hé?

COMM.: Min of meer, ja.

LINDA: Na wat ik heb meegemaakt, verwondert mij dat eigenlijk niet meer.

COMM.: Wat hebt u dat meegemaakt, mevrouw Mariën?

LINDA: Juffrouw. En het zit zo. Stef, dat is mijn vrijer, en ik wilden ons zo'n Louis Quatorze stoel kopen voor in ons huis, straks, als we trouwen... We houden allebei erg veel van antiek. Ik zei: "Laten we eens een kijkje gaan nemen bij mevrouw Stookers." Wijlen mijn vader kwam daar veel en ik kom daar nu ook vaak. Wij zijn daar om zo te zeggen vaste klanten, ziet u. Stef en ik dus daarheen en nu... tsja... toen begon het, nietwaar.

COMM.: Toen begon wàt?

LINDA: Eerst was het daar zo vreemd stil. Bijna als in een kerk. Griezelig stil. Heel anders dan toen mevrouw Stookers de winkel open hield. Een vrouw voelt zoiets aan...

COMM.: Jaja, de vrouwelijke intuïtie...

LINDA: Mevrouw Stookers bleek dus niet aanwezig te zijn... Maar dat kwamen we pas later te weten... We stonden daar namelijk al een tijdje om ons heen te kijken, terwijl er niemand verscheen - ik dacht al: ze is zeker even het hoekje om -, toen die verschrikkelijke gil weerklonk.

COMM.: Een gil?

LINDA: Een gil, ja. Een gehuil dat door merg en door been drong en dat mij het bloed in mijn aderen deed stollen... Het leek vanuit de kelder te komen, maar tegelijk was het alsof het uit de muren zélf kwam, en uit al die ouwe antieke meubels die om ons heen stonden... Het was zo akelig...
(rilt)

COMM.: Ga verder, asjeblief...

LINDA: Ik krijg er nog kippevel van, ziet u?

COMM.: En was het de gil van... van een vrouw?

LINDA: Moeilijk uit te maken... Het klonk ook zo weinig... zo weinig ménselijk... Misschien wel, ja... Misschien wel...
Nu goed, ik wilde het al op een lopen zetten, want ik kan daar allemaal niet tegen - op TV kijk ik nooit naar griezelfilms, ik draai altijd de knop om als het te erg wordt -, maar Stef hield me tegen... En toen verscheen die man...

COMM.: Sam Stookers?

LINDA: Hààr man, ja. Tenminste, ik veronderstel toch dat het haar echtgenoot was, ik had hem tot op dat moment nog nooit gezien... Hij zag er nogal bleekjes uit, en hij had zo van die... van die verwilderde ogen... Bloeddoorlopen... Alsof hij een paar nachten had doorgezakt... "Wat wilt u?" snauwde hij ons toe, maar we konden geen woord over die Louis Quatorze meer over onze lippen krijgen, vanwege die gil, ziet u, Stef en ik... Ik hoorde hem nog altijd, hier, van binnen... Ik zal hem wel altijd blijven horen, denk ik... En we zeiden dus niets, en die vent bekeek ons zo, van top tot teen, met van die ogen waar een vrouw altijd ongemakkelijk van wordt, en hij vroeg: "Tong verloren?" En Stef stamelde iets van: "Wat was dàt?" En hij antwoordde: "Ik heb niets gehoord."

COMM.: (noteert)
"Wat was dat?" - "Ik heb niets gehoord."
Hij wist dus dat jullie het over een geluid hadden.

LINDA: "Die gil..." zei Stef. En toen... toen grijnsde die vent naar mij... Naar ons enfin, maar ik had het gevoel dat hij vooral naar mij grijnsde... En hij zei: "O... dat? Dat was mijn vrouw. Ze heeft ze niet alle vijf op een rijtje. Nu stelt ze zich weer voor dat ze een heks is die op de pijnbank wordt gelegd. En de dokters zijn dan natuurlijk haar beulen."

COMM.: En toen?

LINDA: Ik geloofde er geen snars van. Ik kénde mevrouw Stookers, snapt u? Ze was niet het type dat zomaar van de ene dag op de andere helemaal kierewiet wordt. We zeiden dus maar dat we naar een Louis Quatorze kwamen kijken, maar dat ie te duur was voor ons budget, en hij was helemaal niet te duur maar integendeel heel leuk, en toen zeiden we goeiedag en liepen we naar buiten. "Die vent loog," zei ik nog tegen Stef. "Hij is het die een slag van de molen heeft gekregen, dat zag ik aan zijn gezicht!" Maar Stef zei dat we ons maar beter met onze eigen zaken konden bemoeien. Toch ben ik daarna meteen naar u gekomen, meneer euh...?

COMM.: Verdonck.

LINDA: ... Verdonck. Ik weet dat ik gelijk heb. Mannen zijn niet zo gevoelig voor dat soort dingen. Ik wéét dat die Stookers...

COMM.: Daar hebt u goed aan gedaan, mevrouwtje.
(helpt haar uit haar stoel)

LINDA: Juffrouw. Er zal toch niks... niks érgs aan de hand zijn met mevrouw Stookers, hé?

COMM.: (met een diepe zucht)
Laten we hopen van niet... Laten we hopen van niet...

Hij laat Linda uit.
Licht fade out.

VIJFDE TAFEREEL

Licht fade in.
De commissaris loopt rond met een draagbare telefoon.

COMM.: (telefoneert)
Verdonck hier... Ja, Bert?...
(pauze)
Wég!?... Verdomme!
(pauze)
Geen enkel spoor? Okee... Laat een mannetje achter in de winkel, je weet maar nooit of hij nog terugkeert... En jou heb ik hier nodig. Begrepen?

Hij legt de telefoon neer, ijsbeert rond, neemt de telefoon op en toetst een nummer in.

COMM.: (telefoneert)
Met commissaris Verdonck, mevrouwtje... Ik vrees dat we redenen hebben om aan te nemen dat Sam Stookers uw zuster inderdaad opgesloten heeft gehouden in haar winkel... We hebben daar zopas een inval gedaan, maar zowel Stookers als uw zuster zijn verdwenen... De vraag is: waar kunnen ze nu zijn?
(pauze)
Juist... We hebben nu meer dan ooit uw medewerking nodig, mevrouwtje... We moeten te weten zien te komen waar hij zich bevindt. Daarom wilde ik u vragen daar even heel diep over na te denken. U weet meer dan wij... Een buitenverblijf, een plekje waar hij wel eens heen trekt om alleen te zijn, vrienden, kennissen... Maak ons een lijst op, zo snel mogelijk... Alles wat u maar door het hoofd schiet!
(pauze)
Goed, dank u.

Hij legt de telefoon neer.
Licht fade out.
Einde van het tweede bedrijf.
DERDE BEDRIJF

EERSTE TAFEREEL

Licht fade in.
Linda - in doktersjas - zet op de lege scène een stoel neer. Ze blijft er even naar staan kijken.

LINDA: Hij is er nog steeds niet overheen. Zal hij er ooit overheen komen?
Dat hij de ogen heeft gesloten voor de ondeugden en het verderf, die sluimeren achter de gothische gevels van het fabuleuze operadecor dat Brugge is, Brugge bij nacht, Brugge die Stille...
Dat hij niet heeft geluisterd naar de wijze woorden van Karel Van de Woestijne: "Hoe in deze stad van de katholieke God ook, en met dezelfde zonden van vraatzuchtige gulzigheid achter schijnheilige gevels en onkuisheid in stijfstemmige kledij, de Satan huist die in de vijftiende eeuw de festijnen bereidde en de ontucht leidde aan 't Hof van Bourgondië."
Hij is er nog steeds niet overheen. Het is een wonde die niet meer geneest.
Dat hij geen geloof heeft geschonken aan de geruchten over jonge meisjes die reddeloos verloren liepen, voorbij dat geheimzinnig poortje van een mediterende achtergevel. Dichtbij de vermoeide spiegel van het Minnewater, waar gecharmeerde toeristen verrukte kreetjes slaken in alle talen van de beschaafde wereld.
Dat hij de kleine venstertjes niet heeft willen zien.
Dat hij niet heeft willen zien hoe die kleine venstertjes op lege oogkassen lijken en dat de dichtgemetselde in- en uitgangen niets anders zijn dan gesloten ogen.
Dat hij de ogen heeft gesloten voor de nauwe steegjes die ooit naar onderaardse losplaatsen leidden, voor de hoge smalle huizen die naar elkaar lijken over te hellen en slechts een fijne streep zonlicht doorlaten.
Kamperfoelie, wilde wingerd en klimop overwoekeren hun paviljoenen en hun erkers.
En hij heeft het niet gezien.
En die klap is hij nog steeds niet te boven gekomen.

Licht fade out.

TWEEDE TAFEREEL

Licht fade in. Op de stoel zit Karen, aan handen en voeten gebonden, in vuile en gescheurde kleren.

KAREN: (roept)
Ik heb honger!

Op de witte wanden verschijnt de schaduw van Sam.

KAREN: (tot zichzelf)
Honger en dorst...
(rukt aan haar boeien, roept)
Waar ben je, Sam?

SAM: (off)
Hier!

KAREN: (probeert zich om te draaien om hem te zien)
Waar?

Sam lacht waanzinnig.

KAREN: Waarom laat je je niet zien?

SAM: (off)
Je bent zo naïef, Karen.

KAREN: Laat je zien, Sam. Waar ben je? Het spelletje heeft nu lang genoeg geduurd!

SAM: (off)
Hoe lang heeft het geduurd eer jij je aan mij hebt laten zien zoals je bént, Karen? Hoe lang?

KAREN: Je kunt nog altijd terug... Nù kun je nog altijd terug...

SAM: (off)
En straks...?

KAREN: Ik kan alles nog vergeten, Sam... Alles nog vergeven... Gewoon een spelletje dat uit de hand is gelopen... Ik heb nooit geweten dat jij... dat jij zo was, Sam... Dat je hiéld van dit soort spelletjes... Ik heb het nooit geweten.

SAM: (off)
Je bent vulgair, Karen.

KAREN: (ongelovig)
Ik ben vulgair? En wat is dit dan?
(rukt aan haar boeien)
Ik ben je vrouw, verdomme! Ik ben je slààf niet, Sam!

SAM: (off)
Het is geen spelletje. Ik ben de Markies de Sade niet.

KAREN: Je hebt ze verdrongen, Sam... Je geheime wensen, je fantasmen... Verdringen is nooit goed... Je had er met mij moeten over praten... We hadden samen naar oplossingen kunnen zoeken... Afspraken maken... Het is nog niet te laat, Sam... We kunnen nog altijd...

SAM: (verschijnt achter haar)
Dit is géén pervers spelletje!

KAREN: Ik had het moeten weten... Ik heb het gelezen in je verhalen, maar ik heb het nooit willen zién... Niet op deze manier... Dat je zo was... Dat je deze vreemde gevoelens verdrong... Dat je ze sublimeerde in die verhalen van je... Alleen in die verhalen kon je je ongeremd uitleven... Alleen dààr... Ik heb het nooit willen zién... Maar ik weet nu waar wij aan toe zijn, Sam... Het is nog niet te laat... Ik zal...

SAM: Zwijg, slet!

KAREN: Kom hier en kijk me aan!

SAM: Je bent mijn Meesteres niet meer, Karen. Ik ben jouw Meester, nu. De rollen zijn omgedraaid...

KAREN: (huilend)
Zie je wel, zie je wel, zie je wel...
(schreeuwend)
Kom hier en kijk me aan!

SAM: Je hoeft helemaal niks te vergeten, je hoeft mij helemaal niks te vergeven, want ik, ik ben gezond!

KAREN: Je hebt mij pijn gedaan, Sam...

SAM: Omdat het moest. Jij bent het die vergeven moet worden, Karen. Jij bent het die ziek is en die genezen moet worden! En alleen op deze manier kan ik jou genezen.

KAREN: Je geniet ervan... Alleen op deze manier geniet je er écht van...

SAM: Ik doe alleen maar mijn plicht. De plicht van de Meester.

KAREN: Dat ben je niet, Sam. En dat zul je nooit zijn. Er zit een andere man in jou, een man die altijd jouw Meester zal blijven als je je niet laat helpen. Die andere man heeft jou overmeesterd, Sam. Vroeger was je niet zo, dat weet ik zeker. Vroeger niet... Je kon geen vlieg kwaad doen... Vroeger genoot je niet van de pijn van een ander, Sam... Vroeger niet... Je was zo lief en kwetsbaar... Je was zo onschuldig...

SAM: Zwijg, heks!

KAREN: Ik ben geen heks. Heksen bestaan niet. Behalve in je geest, misschien... Je weet toch dat het symbolen zijn, Sam? Symbolen van het kwaad dat schuilt in ieder van ons? Alleen maar symbolen, Sam... Geen levende wezens... Evenmin als die Vantcasteel van jou...

SAM: Zwijg, heks! Of wil jij nu beweren dat je een hersenschim bent? Dat ik je niet met mijn eigen ogen aan de Sabbat heb zien deelnemen? Durf je dat nog te beweren, hé?
(slaat haar met de vlakke hand in het gezicht)
Durf je dat nog te beweren?
(slaat opnieuw)

KAREN: Ja! Ja, sla mij maar! Zoals toen in de kelder! Sla mij maar, Sam, als dat je opwindt!

SAM: Je vraagt erom! Ik zal al het kwaad uit jou slaan als het moet, Karen!

KAREN: En ik zal schreeuwen.

SAM: En ik zal doof zijn voor jouw geschreeuw! En nu kan er niemand je nog horen, Karen! Hoor je? Niemand meer! We zijn alleen, nu! Jij bent alleen, nu! Alleen met jouw Meester!

KAREN: Ben je dan al vergeten dat je zelfs geen druppeltje bloed kon zien, Sam?


SAM: Dat is voorbij. Ik was zwak, toen... Dat geef ik toe... Maar het is voorbij... Sinds ik jou met die... die duivel heb gezien... is dat voltooid verleden tijd geworden...

KAREN: Je bent gék!

SAM: (tilt haar gezicht bij haar kin naar hem op)
Dat zou je graag hebben, hé? Dat ik gek was? Dan kon jij weer mijn Meesteres zijn, hé? O ja, ik heb je wel door, meisje! Ik heb je wel door!

KAREN: Het is belachelijk.

Hij grijpt naar zijn hoofd, wankelt, zoekt steun tegen de wanden, wrijft krampachtig met zijn beide handen over zijn vertrokken gezicht.

KAREN: (zacht en overredend)
Zie je wel... Het is de hoofdpijn... Je bent niet meer verantwoordelijk voor je daden, Sam... Je bent de oude niet meer... Het komt door de hoofdpijn... Maak me nu los, zodat ik je kan helpen... Ik zal m'n handen op je hoofd leggen en de pijn zal overgaan, Sam... Dat heeft toch altijd geholpen? Kom, maak me nu los en ik zal mijn handen op je hoofd leggen en...

Sam zakt langzaam neer op de vloer, hijgend, de handen voor de ogen.

SAM: Geraard is mijn vriend... Mijn enige vriend... Ik heb nooit echte vrienden gehad... Hij is de eerste... De enige... Hij respecteert mij... Hij gelooft in mij... Ik ben zijn gelijke... Wij begrijpen elkaar... Hij liegt mij niets voor... Samen met hem kan ik alles aan... Alles...

KAREN: Waar is Geraard nu dan? Nu je hem nodig hebt? Waar is hij dan, Sam? Waar is hij nu? Toon hem mij! Waar is hij!?

Sam schudt het hoofd, spreidt de handen, steekt ze naar haar toe.

SAM: Hij is niet... zo! Niet op die manier!
KAREN: Hij is geen vlees en bloed, bedoel je?

SAM: (het hoofd gebogen, kreunend, smekend)
Heb medelijden met mij, Karen... Ik wil dat je van me houdt... Dat je mede lijdt... met mij...

Hij wil opstaan om naar haar toe te komen, maar een onzichtbare kracht werpt hem weer tegen de muur. Hij kruipt weg van de muur, kijkt naar zijn schaduw, is bang voor zijn schaduw.

SAM: Nee Geraard, nee! Laat me gaan! Ze moet van mij houden! Ze moet weten dat ik van haar hou! Geraard o Geraard, wat doe je me ààn!?

Sam begint een schaduwgevecht. Het is alsof hij klappen krijgt van zijn schaduw. Hij tracht zich te verschuilen achter Karen, op handen en voeten, maar onzichtbare voeten schoppen zijn armen onder zijn lichaam vandaan, zodat hij valt. Zijn ogen rollen woest in hun kassen, zijn gezicht vertrekt krampachtig.

KAREN: Maak me los, Sam! Maak me los! Nù!

Sam begint als een dolle hond te kronkelen over de vloer.

KAREN: Hij is je vijand! Voel je? Hij is je vriend niet! Hij is je vijand! Ik ben je vriendin, Sam! Samen kunnen we hem aan! Maak me los en ik zal je helpen! Maak me los, Sam!

Plotseling blijft Sam stil liggen. Hij is ineens weer kalm en rustig. Hij grijnst naar haar.

SAM: (bars, bevelend - andere stem)
Luister vooral niet naar Christina, Sam! Denk eraan dat ze een heks is! Laat je niet verlokken door het dodelijke gezang van de sirene! Ze betovert jou! Ze doet je pijn!
(hij begint weer stuiptrekkingen te vertonen, dan fluistert hij hees met zijn normale stem:)
Ik kan het niet... Je zou mij in het verderf storten... Zoals het zo vaak is gebeurd... Adam en Eva... Helena van Troje... Lilith... Maar ik zal je redden van het vagevuur, Karen... Joù zal ik redden... Omdat ik van je hou... zal ik joù redden...

Hij richt zich op, weer helemaal rustig.

SAM: Beken dus.

KAREN: Begin niet opnieuw, Sam, of ik ga schreeuwen zoals toen, in de kelder.

SAM: Je moet bekennen. Het is nodig, Christina.

KAREN: Ik ben Christina niet. Ik ben Karen. En ik zou niet weten wat ik moet bekennen.

SAM: Je misdaden tegen de mensheid.

KAREN: Ik weet niet waarover je het hebt.

Sam gaat af en keert terug met een driepikkel. Die plaatst hij voor Karen. Hij is nu geheel en al rustig, zelfverzekerd en autoritair. Hij gaat zitten, ijzig. Hij handelt mechanisch en gevoelloos en dreunt zijn replieken af.

SAM: Als je bekent, wordt het allemaal stukken makkelijker. Voor mij, maar ook en vooral voor jou. Antwoord dus asjeblief op de dertien vragen uit de Heksenhamer.

KAREN: De Heksenhamer?

SAM: De Malleus Maleficarum!

KAREN: Je denkt toch niet dat...?

SAM: Ik zal je met behulp van de Heksenhamer redden van het hellevuur. Dertien vragen, dertien antwoorden. Het is heel eenvoudig, bekennen.

KAREN: Ik doe niet mee, Sam. Ik val nog liever dood dan aan dit krankzinnige spelletje mee te doen!

SAM: Dat zeggen ze allemaal. In het begin.
Maar ze draaien wel bij, weet je...

KAREN: Hoezo?

SAM: Er zijn verschillende manieren om een heks aan de praat te krijgen. Zo bijvoorbeeld...

Hij haalt uit om haar te slaan en zij krimpt al in elkaar, maar op het laatste ogenblik trekt hij zijn hand terug.

SAM: Toen heb je geschreeuwd. Maar dat is allemaal niks vergeleken bij een échte tortuur, Christina. En jammer genoeg is het nu eenmaal zo dat alleen de pijnbank je kan redden van de eeuwige verdoemenis. Alleen op de pijnbank spreken heksen namelijk de waarheid. Alleen dàn zijn ze bereid te bekennen. En je moét bekennen, als je niet eeuwig wil branden in de hel. Dus vraag ik je nu, heel vriendelijk, zonder enige dwang, te antwoorden op de dertien vragen van de Heksenhamer. Welke eed heb je aan de verdoemde geesten gedaan, Karina?

Karen wendt de blik af.

SAM: Kijk me aan.

Als ze niet reageert, dwingt hij haar hem aan te kijken.

SAM: Ik ben jouw Meester, Karen. Je bent aan mij overgeleverd. Je bent in mijn macht. Als ik zeg: "Kijk me aan!", dan kijk je me aan. Zo simpel is dat.

Karen sluit de ogen.

KAREN: En dan doe ik m'n ogen dicht.

SAM: Je verplicht me over te gaan tot de tortuur, Christen. Zo werkt de Heilige Inquisitie. Dat weet je toch? Kom nou, werk even mee... Er valt altijd wel iets te bekennen. Soms weet je niet meteen wat, accoord. Maar dan is er toch de inquisiteur, die je kan helpen om je alles weer te herinneren? Welke eed je gedaan hebt aan de verdoemde geesten, bijvoorbeeld.

KAREN: Ik zou het niet weten, Sam... Ik heb jouw geschifte boekjes nooit helemaal kunnen uitlezen...

SAM: Welke eed? Asjeblief...?

KAREN: Laat me met rust.

SAM: (staat op)
Goed. Ik zal je met rust laten. Ik zal naar buiten gaan. Daar heb ik een vat klaargezet. Het is tot de rand gevuld met water. Er ligt een trechter bij dat vat. Ik zal het vat en de trechter hier, voor jouw voeten zetten, in ons weekendhuisje. Ik zal het water uit hetvat door de trechter in jouw mond gieten. Tot je buik tot barstens toe gezwollen is. En dan zal ik met een lat op je buik slaan, Karina. Tenzij ik gebruik wens te maken van gloeiende kolen. Er staat hier wel nog ergens een barbecue-stel. Tegen de voetzolen, onder de oksels. Dat doet pijn. Dus voor de laatste keer: welke eed heb je aan de verdoemde geesten gedaan?

Karen kijkt hem lange tijd zwijgend aan.

KAREN: Ik heb Satan trouw gezworen.

SAM: Goed zo. Ik wist wel dat je verstandig was. Waarom heb je Satan trouw gezworen, Christina?

KAREN: (eerst aarzelend, dan sneller)
Het is... wàs... een soort inwijding... Om deel te nemen aan de vieringen... De Zwarte Mis, de Sabbat...

SAM: Daar hebben we het straks nog over. Maar goed, ik stel je medewerking op prijs, Karen. Met welke plechtigheden gaat een dergelijke inwijding gepaard?

Karen kijkt hem uitdrukkingsloos aan.

KAREN: Met welke plechtigheden?

SAM: Ik luister. Moet ik de vraag herhalen?

KAREN: Nee.

SAM: De vraag is duidelijk?

KAREN: Ja...

SAM: Wel, geef me dan antwoord. Je deed het nu net zo goed, Christina. Verknal het nu niet.

KAREN: Met welke plechtigheden... Ik weet het niet. Ik weet het écht niet.

SAM: Onzin. Wat heb je beloofd?
(begint om haar heen te cirkelen)

KAREN: Aan wie?

SAM: Dat weet je best. Welke belofte werd je in ruil gedaan?

KAREN: Welke belofte?

SAM: Geef antwoord! Hoopte je op die manier geld, goed en eer te ontvangen?

KAREN: Geld...? Goed...? Eer...?

SAM: De winkel... De dure spullen die je kocht... De parfums van Chanel, de mantelpakjes van Dior... Geld, goed, eer!

KAREN: Ik weet het niet, ik weet het niet, ik weet het niet meer.

SAM: Antwoord! Geef antwoord! Ja! Zeg ja! Ja! Ja!

KAREN: Ik weet niks meer te verzinnen!

SAM: Dat is geen antwoord!

KAREN: Ja! Ja! Ja!

SAM: Je bekent? Is dit een bekentenis, Karen?

KAREN: Ik geef alles toe, Sam... Maar laat me niets meer verzinnen... Ik kàn niks meer verzinnen...

SAM: Nee dus. Geen bekentenis. Hoe kom je op de Sabbat, Karen?

KAREN: Op een bezemsteel...

SAM: Spot er niet mee! Hoe kom je op de Sabbat en hoe wordt er gedanst? Ga je te voet of word je gebracht?

KAREN: Ik weet het niet...

SAM: Waaruit, waar en hoe wordt de toverzalf bereid?

KAREN: Toverzalf?

SAM: Waarmee je naar de Sabbat komt! Waaruit, waar en hoe? Met welke middelen breng je mannen, vee en veldvruchten schade toe? Met welke middelen, Karen? Waaruit, waar en hoe?

KAREN: Zeg het me... Asjeblief, zeg het me en hou er dan mee op!

SAM: Vlieg je tijdens je verplaatsingen door de lucht of niet? Hoe kom je weer thuis? Zie je daar vrienden? Boze geesten? Bekenden?
(tilt haar gezicht naar hem op)

KAREN: Vertel het mij, Sam...

SAM: Aan welke offers en plechtigheden nam je deel op het altaar van de Duivel?

KAREN: Vertel het mij...

SAM: En wat deed je daar verder nog? Hoeveel personen waren er in je gezelschap?

KAREN: Zeg het mij...

SAM: Wanneer moet je daar komen en hoelang moet je er verblijven? Gebeurde dat alles in de bossen, op de bergen of in leegstaande huizen?

KAREN: Zeg het mij...

Licht fade out.

DERDE TAFEREEL

Het is donker. Het licht van een zaklamp gaat door de ruimte, vindt Karen die bewusteloos in haar boeien op haar stoel hangt, beschijnt haar lichaam. De persoon die de zaklamp vasthoudt, komt naar binnen.

TANIA: Karen!

Het is Tania. Ze knielt bij Karen neer, legt de zaklamp op de grond, probeert haar los te maken.
In het duister zat Sam haar op te wachten. Hij is nu naar de opening in de witte wanden gestapt en steekt daar een olielamp aan. Hij verspert de uitweg. Tania merkt hem op en verstijft.

SAM: Welkom, Tania.

TANIA: Wat heb je met haar uitgevoerd!?

SAM: Ik heb haar gered van het vagevuur.

TANIA: Is ze...?

SAM: Dood? Nee. Bewusteloos.

Tania gaat door met het losmaken van haar zuster.

SAM: Hou daarmee op.

TANIA: Dit zal je duur te staan komen, Sam...

SAM: Bedreig je mij soms, Tania?

TANIA: Dacht je dat je dit zomaar ongestraft kon doen?

SAM: Je bent anders niet in de positie om mij te bedreigen, Tania. Ik ben de Meester.

TANIA: Jij de Meester? Laat me niet lachen?

Sam zet rustig de olielamp neer en neemt een lang slagersmes van de grond.

TANIA: (kijkt naar het mes - zenuwachtig)
Je denkt toch niet dat ik alleen gekomen ben, Sam? De politie kan elke minuut hier zijn!

SAM: (snuift)
De politie... Die seniele commissaris Verdonck, zeker?
TANIA: (steekt haar hand uit naar het mes)
Het spelletje is uit, Sam. Geef je over. Maak het niet nog erger dan het al is. Kom, geef mij dat mes voor er ongelukken gebeuren.

SAM: Ik ben de Meester, Tania. En dit is geen spelletje. Dit is ernst. Bloedige ernst.

TANIA: Karen moet verzorgd worden.

SAM: Zij heeft alle zorgen gekregen die ze nodig heeft. Van mij.

TANIA: Ze moet dringend naar een ziekenhuis.

SAM: Ze moet dringend naar...
(bijt op zijn lip - grijnst)
Probeer je soms tijd te winnen, Tania?

TANIA: Tijd winnen? Ik?

SAM: Ik heb je doorzien, meisje. Ik doorzie àlle meisjes.

TANIA: Ik begrijp je niet.

SAM: Maar ik begrijp joù maar al te best. Die gammele commissaris Verdonck zou jou nooit in je eentje hierheen sturen.

TANIA: Ik kwam gewoon even... poolshoogte nemen.

SAM: Probeer je me te bedotten, Tania? Natuurlijk probeer je me te bedotten. Maar ik ben niet gek, meisje. En ik ben ook niet zo dom als jij wel denkt. Commissaris Verdonck zou nooit het risico lopen jou alleen vooruit te sturen.

TANIA: (doet een paar passen in zijn richting)
Hij kan nu elk ogenblik hier zijn, Sam. Geef mij dat mes, toe.

SAM: (haalt naar haar uit)
Toen ik spoorloos verdween... mét je lieve zusje... zullen ze zich wel afgevraagd hebben waar ik heen kon zijn... zullen ze jou wel gevrààgd hebben waar ik heen kon zijn... Denk diep na, zullen ze gezegd hebben... En toen heb jij aan ons weekendhuisje gedacht... Maar dom gansje dat je bent, natuurlijk heb je niet op hen gewacht...
(drijft haar, met het mes voor zich uit, weg van Karen)
Impulsief als je bent, zou jij dit klusje wel eens gauw in je eentje klaren, nietwaar? Je bent immers een geëmancipeerd dametje, nietwaar? Mànnen heb je voor zo'n futiliteiten niet nodig, nietwaar?

Hij blijft staan, begint waanzinnig te lachen. Tania kijkt beduusd.

SAM: (lachend)
Zo'n armzalige zielepoot als Sam Stookers kan onze geëmancipeerde Tania best in haar eentje aan, hoor! O ja!
(houdt abrupt op met lachen)
Hoe dan ook, het doet er allemaal niet meer toe.
(beweging naar Karen)
Morgen wordt het haar laatste dag.

TANIA: Wat bedoel je?

SAM: Dat weet je best. Heksen horen thuis op de brandstapel. Vraag het Jeanne d'Arc maar.

TANIA: Jij bent knettergek, man!

SAM: In een wereld waar de gekken het voor het zeggen hebben, zal de enige gezonde geest inderdaad wel voor een krankzinnige versleten worden...

TANIA: Geef mij dat mes! Nu!

SAM: (met buigingen)
Zeker, Tania! Meteen, Tania!

Daarop valt hij naar haar uit, met het mes. Er ontstaat een worsteling. Freeze.
Linda komt op - in witte jas. Zij knipt de zaklamp uit en draait vervolgens ook de olielamp uit. Het is donker.

VIERDE TAFEREEL

Licht fade in.
De commissaris staat in het midden van de ruimte.

COMM.: Ik kwam te laat. Voor Tania en voor Karen.
Waarom is Tania er op haar eentje op uit getrokken? Ik weet het niet. Misschien wilde zij... persoonlijk met hem afrekenen. Of misschien had zij de indruk dat ik haar niet al te erg au sérieux nam. En natuurlijk was dat ook zo...
Ik was de enige die zich nog verwijten kon maken.
Tania had een briefje achtergelaten op het bureau met de melding waar ze naartoe getrokken was. Toen ik eraan kwam, was alles al voorbij. We troffen hem aan bij de brandstapel, achter het weekendhuisje. "Het ging een stuk makkelijker dan vroeger," zei hij. "Vroeger hadden ze namelijk geen benzine."

Linda - in witte doktersjas - verschijnt. Ze draagt het pak waarin het houtskoolportret van Karen/Christina zat.

COMM.: Ik heb mijn ontslag gegeven. Maar dat is niet de reden... niet de échte reden... voor mijn verblijf hier...
Die reden heeft alles te maken met...

Linda geeft hem het pak.

COMM.: Met dit hier.

Op de achtergrond verschijnen Tania, Karen en Sam. Ze dragen witte jassen, noteren wat, observeren hem, discussiëren stilzwijgend onder elkaar.

COMM.: Zelfs nu Sam Stookers veilig en wel in een instelling zit en de hele zaak als opgelost mag worden beschouwd, rest er nog één levensgroot vraagteken...
Ik heb de dood van de twee jonge vrouwen nooit verwerkt, maar dit hier...
(scheurt het pak open)
... is op zijn manier érger. Veel érger.
(toont het publiek het portret)
We hebben een labo-onderzoek verricht op het fameuze houtskoolportret van Karen Dedonker. En in tegenstelling tot het zogenaamde Vantcasteel-manuscript, dat ongetwijfeld door de schizofrene geest van Sam Stookers werd gecreëerd, bleek dit hier... dit portret... wel degelijk... zestiende eeuws te zijn...

Linda komt naar voor, neemt de verward hoofdschuddende "commissaris" bij de arm, doet teken aan de anderen die meteen verdwijnen - op Karen na. Linda neemt de commissaris/patiënt mee, terwijl zij eveneens afgaat. Hij stribbelt slechts lichtjes tegen. Karen kijkt het tweetal na, wacht tot iedereen verdwenen i s en begint dan venijnig te lachen. Schaterlachend gaat ze af.

Licht fade out.
Doek.
Einde.

Opvoeringsvoorwaarden DE ZWARTE SPIEGEL


KORTE INHOUD:

Sonja en Jan zijn verliefd en gaan er op de laatste dag van augustus samen vandoor. Ze duiken onder in Antwerpen en huren er een appartement. De vorige bewoner, de zonderlinge kamergeleerde Johannes Dierickx, is kort tevoren gestorven. Zijn bezittingen, waaronder een zwarte spiegel en boeken van de beruchte zestiende eeuwse magiër John Dee, krijgt het stel zomaar cadeau van de hospita. Maar na een tijdje komen Sonja en Jan tot de huiveringwekkende vaststelling dat er met Dierickx' spullen iets heel vreemds aan de hand is...

ROLVERDELING:

JAN DE LAET: een jongeman, student Germaanse filologie.
SONJA: de vriendin van Jan, een studente Germaanse filologie.
JEANNE LEMAIRE: een knappe vrouw van ongeveer veertig.
KELLY: een Brits popmuzikant.
JOHANNES DIERICKX: een man van middelbare leeftijd, in een ouderwets kostuum, met das en hoed.

DECOR:

Een studeerkamer, waarvan de beide zijwanden in beslag worden genomen door boeken. Tussen de boeken staan ook een antieke wereldbol en een Russisch houten popje dat je uit elkaar kunt nemen en waarin dan weer een identiek popje zit. In de ene zijwand is een deur uitgespaard, die uitgeeft op een gang (buitendeur). In de andere zijwand zit een deur die uitgeeft op de keuken + badkamer/WC, en op de slaapkamer (tussendeur).De achterwand is een wit doek. Daaraan hangen een middeleeuwse landkaart en een oude schets van een fantaisistisch vliegtoestel, dat de vorm van een kever heeft. Voorts zijn er de omtrekken op te zien van een grote antieke spiegel en een oude portretfoto, die daar vroeger moeten hebben gehangen. In de omtrek van de spiegel zullen door middel van een diaprojector, opgesteld achter deze wand, dia's worden geprojecteerd.De kamer is sober gemeubileerd met een sofa en een tafel met vier stoelen. Op de voorgrond staat een ouderwetse mechanische schrijfmachine.

NOOT:

Doctor John Dee is een historisch personage. Zijn portret, waarvan sprake is in het stuk, kan men vinden in naslagwerken over alchemie, astrologie, magie e.d., zoals bijvoorbeeld 'De wereld van het ongrijpbare' (diverse auteurs, Reader's Digest, 1985). Het is ook verkrijgbaar bij de auteur van dit stuk, Patrick Bernauw (10 euro/ex.) via dit bestelformulier.

OPVOERINGSVOORWAARDEN:

‘De Zwarte Spiegel’ is de toneelversie van de gelijknamige jeugdroman van Patrick Bernauw (Davidsfonds-Infodok, 1998). Dit toneelstuk mag niet opgevoerd worden zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de auteur: klik op de titel bij dit artikel.

De Zwarte Spiegel - deel 1 van de griezelige thriller van Patrick Bernauw

EERSTE BEDRIJF

EERSTE SCENE

Het is donker.
Muzikale intro. Diaprojectie van het portret van doctor Dee.
Licht fade in en diaprojectie fade out. Muziek fade out.
Mevrouw Jeanne Lemaire komt de kamer binnen door de buitendeur, gevolgd door Jan en Sonja.

JEANNE: Normaal gezien, verhuur ik niet aan studenten... Maar jullie zagen er twee bijzonder geschikte jongelui uit, en daarom dacht ik zo bij mezelf... och ja, waarom eens geen uitzondering maken? Wat studeren jullie?

JAN: Germaanse.

JEANNE: En u, juffrouw?

SONJA: Zeg maar Sonja.

JAN: En ik heet Jan. Jan De Laet.

JEANNE: Mooi, mooi, mooi. Jan en Sonja dus!

SONJA: Ik studeer ook Germaanse.

JEANNE: Mooi, mooi, mooi! (monstert hen van kop tot teen) Twee zéér geschikte jongelui, inderdaad... En allebei studeren ze Germaanse... Een perfect koppeltje, als het ware!

Jan en Sonja glimlachen schaapachtig. Sonja grijpt de hand van Jan.

JEANNE: Jullie ouders weten hier toch van, hé?

JAN: Pardon, mevrouw euh...?

JEANNE: Lemaire. Jullie ouders zijn er toch van op de hoogte dat jullie hier als koppel komen samenwonen en euh... studeren? Het laatste wat ik wil, zijn namelijk een boel problemen!

SONJA: Eerlijk gezegd, mijn ouders denken dat ik alleen op kot zit... In een studentenhome van de universiteit.

JEANNE: En de jouwe, jongeman?

JAN: De mijne ook.

SONJA: Mijn ouders zijn niet zo best gesteld op zijn ouders... En op hem... En omgekeerd. Begrijpt u?

JAN: Maar u mag op uw beide oren slapen, mevrouw Lemaire. We zullen ervoor zorgen dat u daar geen last van ondervindt.

JEANNE: Ze weten dus niet dat jullie... helemaal in jullie eentje... naar Brussel...?

JAN: Nee.

SONJA: Daar weet haast niemand van, eigenlijk.

JAN: Het is zo'n beetje een geheim.

SONJA: ONS geheimpje.

Mevrouw Lemaire kijkt hen nadenkend aan, staat in twijfel. Dan knikt ze traag en zucht diep.

JEANNE: Ik laat me veel te gauw vertederen door een vleugje... romantiek, geloof ik. Twee jongelui, op de vlucht voor de boze buitenwereld! Mooi, mooi, mooi!

Jan en Sonja glimlachen weer schaapachtig.

JAN: Dan hebt u er geen... bezwaar tegen... dat wij hier...?

JEANNE: Wel... Omdat jullie er zo geschikt uitzien... ben ik bereid voor één keer een oogje dicht te knijpen... Al strookt het niet met mijn principes dat jullie er zonder medeweten van jullie ouders of wie dan ook tussenuit geknepen zijn.

SONJA: Heel erg bedankt, mevrouw.

JEANNE: Geen dank. Het is zesduizend frank in de maand voor deze kamer, plus keuken met badkamer en WC hiernaast, en voor de slaapkamer daarachter. (ze opent de tussendeur, gaat af - OFF:) Kom maar even een kijkje nemen, hoor!

Jan en Sonja gaan door de tussendeur af.

SONJA: (gedempt) Zesduizend frank... Heel schappelijk.

JAN: (gedempt) Dat zullen we pas weten als we àl haar voorwaarden gehoord hebben.

JEANNE: (OFF) Wel... Wat denken jullie ervan?

SONJA: (OFF) Dat ziet er best aardig uit...

JEANNE: (OFF) Kijk maar eens rustig rond.

Jeanne Lemaire verschijnt weer in de tussendeur.

JEANNE: (roept) O ja, voor ik het vergeet! Ik vraag ook nog een borgsom van één maand huur vooruit!... Cash!

SONJA: (OFF) Geen probleem, mevrouw!

Sonja verschijnt eveneens in de tussendeur.

JEANNE: Jullie hebben toch enige middelen van bestaan, hoop ik?

SONJA: Zeker, mevrouw. Zeker. Anders zouden we nooit...

JAN: (OFF) Ik doe wat vertaalwerk.

SONJA: En ik ook.

JEANNE: Mooi, mooi, mooi.

SONJA: Dan krijgen wij de kamers, mevrouw?

JEANNE: Omdat jullie er zo geschikt uitzien... ja. Mijn man is al zes jaar dood en sindsdien sta ik er alleen voor, zodat je wel zult begrijpen dat ik problemen met mijn huurders kan missen als de pest.

SONJA: Zeker, zeker.

JEANNE: Wij... mijn man en ik... hebben altijd op het gelijkvloers gewoond. De eerste en de tweede verdieping van het huis verhuren we. Op de tweede verdieping woont mister Kelly. Ook een zeer geschikte persoon. Een Engelse popmuzikant, die bij een Belgisch groepje speelt. Zo lang hij hier in huis niet repeteert of geen harde muziek opzet, vind ik dat prima.

SONJA: En wie bewoonde deze kamers?

JEANNE: Meneer Dierickx. De arme man is kort geleden gestorven.

SONJA: (bestudeert de boeken in de rekken) De advertentie sprak van gemeubileerde kamers, maar ik wist niet dat daar ook een hele bibliotheek in begrepen was...

Jan verschijnt in de tussendeur.

JEANNE: Vinden jullie het griezelig?

SONJA: Wat?

JEANNE: Dat heel zijn boeltje hier nog staat.

JAN: (tot Sonja, met een gebaar naar de meubels) De spullen van de dode meneer die hier voor ons woonde, Sonja.

SONJA: (haalt de schouders op) Nee... Waarom? Het is wel praktisch. Dan moeten wij nergens meer naar op zoek gaan.

JAN: (laat de wereldbol draaien) Al zouden wij natuurlijk nooit zo'n stoffige ouwe wereldbol in huis gehaald hebben.

SONJA: Ik vind dat eigenlijk wel gezellig.

JEANNE: Het doet me plezier dat jullie het niet erg vinden. Een vorige kandidaat-huurder vond het allesbehalve gezellig. Het was of de dode meneer Dierickx hier elk ogenblik weer kon binnenkomen, zei ie.

SONJA: Nou ja, als je een beetje bijgelovig aangelegd bent...

JEANNE: Maar dat zijn jullie gelukkig niét, hé?

SONJA: (lacht) Nee.

JEANNE: Mooi, mooi, mooi! Ik vond het anders wel een ernstig probleem, hoor... Meneer Dierickx had geen familie meer en behalve mister Kelly van hierboven en mezelf, had hij ook geen vrienden... Waar moest ik dan blijven met die spullen? vroeg ik me af.

JAN: (de boeken bestuderend) En al die boeken... Er staan er zelfs in een doos onder de keukentafel... en in de badkamer, heb ik gemerkt!

SONJA: (neemt het Russisch popje uit het rek en toont het aan Jan) Charmant, hé Jan? (ze opent het en neemt er een kleiner, identiek poppetje uit)

JEANNE: Euh... ja... Zoals jullie kunnen zien... Heel charmant.
SONJA: Een baboesjka... Zo heten die popjes toch die in elkaar passen, of heb ik het mis?

JEANNE: Neenee...

SONJA: Is dit echt Russisch? (stelt de telkens in elkaar passende, steeds kleinere popjes naast elkaar op in het rek)

JEANNE: Mmm...

JAN: (wijst naar de schets van het vliegtoestel in de vorm van een kever aan de wand) En wat stelt dat voor?

JEANNE: Een vliegmachine.

JAN: In de vorm van een kever?

SONJA: Was die meneer Dierickx soms een uitvinder of zo?

JEANNE: Neenee, juffrouw...

SONJA: Sonja. Zeg maar Sonja.

JEANNE: Meneer Dierickx was een geléérde.

SONJA: Een geléérde?

JEANNE: Een kamergeleerde.

JAN: Waarom hebt u de spullen niet gewoon verkocht op de rommelmarkt, mevrouw Lemaire? En die antieke wereldbol had u vast en zeker nog voor een aardig prijsje aan een antiquair kunnen slijten!

JEANNE: Ach ja, dat had ik kùnnen doen... Maar geld interesseert mij nu eenmaal niet zo erg. En meneer Dierickx was... een vriend van ons... Van mister Kelly en van mezelf, zoals ik al zei... Ik kon het niet over mijn hart krijgen zijn spullen van de hand te doen... En eerlijk gezegd, zag ik ook een beetje op tegen de moeite... Maar als jullie niet tussen die rommel willen leven...

SONJA: Nee... Nee, dat kunnen we toch niet doen, hé Jan?

JAN: Nee, natuurlijk niet.

JEANNE: (glimlacht) Zie je wel... Ik wist dat jullie twee zéér geschikte persoontjes waren... (gaat aan tafel zitten) Kunnen we dan nu overgaan tot het regelen van de formaliteiten?

Sonja en Jan gaan eveneens aan tafel zitten.

SONJA: Graag!

JEANNE: En daarna zijn de schatkamers van meneer Dierickx geheel en al van jullie!... Enfin, voorlopig toch!

Licht fade out op muzikale overgang.

TWEEDE SCENE:

Licht fade in.
Jan zit in de sofa een boek te lezen. Sonja stoft de schrijfmachine af.

SONJA: Die kunnen we in de keuken zetten. (als Jan niet reageert:) Hé Jan.

JAN: Ja... Ja, doe maar, Sonja...

Sonja gaat met de schrijfmachine af door de tussendeur.

JAN: (meer tot zichzelf dan tot Sonja) Ik zal aan mevrouw Lemaire vragen wanneer het grof vuil wordt opgehaald. Dan zetten we die schrijfmachine buiten.

Sonja keert terug.

SONJA: Wat zei je, Jan?

JAN: Dat ik het hier eigenlijk allemaal... een beetje gek vind aan toegaan. Vind je niet?

SONJA: Er zat niks anders op, Jan. We hadden geen keuze. Waar vind je anders nog een gemeubileerd appartement voor zesduizend frank?

JAN: Ze zei het letterlijk. 'Nu is dit alles van jullie,' zei ze.

SONJA: En dan?

JAN: Nou, ik heb zo het gevoel dat dit appartementje nog lang niet van ons is geworden... zelfs niet nu we het huurcontract hebben getekend.

SONJA: Doe niet zo mal!

JAN: Het is net of we zijn hier... indringers!

SONJA: Indringers?

JAN: In de plaats van eigenaars, ja!

SONJA: We zijn geen eigenaars, Jan. We hùren deze kamers alleen maar.

JAN: Jij hebt je al bij de gang van zaken neergelegd, hé?

SONJA: Het is toch praktisch?

Jan staat op, handen in de zakken slentert hij naar voor, staart de zaal in.

JAN: De avond valt... Het is hier een... een éénzame buurt, Sonja... Eenzaam en verlaten... Net als dit huis...

Zij komt achter hem staan, slaat haar armen om hem heen, kijkt over zijn schouder eveneens strak de zaal in.

SONJA: De lichtjes worden ontstoken... De lichtjes van de huizen aan de overkant... Is het niet sprookjesachtig?

JAN: Sprookjesachtig? Die verwilderde voortuintjes, die betonnen koertjes met hun barsten waaruit het onkruid hoog opschiet, die vervallen gevels met hun scheve, lekkende dakgoten?

SONJA: Schilderachtig dan...

Jan grinnikt en draait zich, in haar armen, naar haar om.

JAN: Zeg es, Sonja... Ben jij soms ook zo gevoelig geworden voor een... vleugje romantiek... als die schattige mevrouw Lemaire?

SONJA: (giechelt) O ja, Jan... Vooral wanneer het een zeer geschikt persoon is die mij in zijn armen houdt!

Licht fade out. Muzikale overgang.

DERDE SCENE

Licht fade in.
Jan en Sonja zitten aan de tafel te studeren; schriften en cursussen liggen over de hele tafel verspreid.
Er wordt gebeld: twee maal kort. Ze kijken allebei geschrokken op, naar elkaar.

JAN: (gedempt) De bel... Twee keer.

SONJA: (gedempt) Dat is voor ons. Eén keer is voor mevrouw Lemaire, drie keer is voor meneer Kelly.

JAN: De bel ging twee keer. Ik heb het duidelijk gehoord.

SONJA: Ik ook. Twee keer is voor ons.

JAN: Voor meneer Dierickx. Zijn naam staat nog op het plaatje naast de bel aan de voordeur... Misschien is het voor meneer Dierickx.

SONJA: Meneer Dierickx is dood.

JAN: Misschien weet de kerel die aangebeld heeft nog niet dat meneer Dierickx dood is en dat wij hier nu wonen.

Er wordt opnieuw twee keer gebeld.

SONJA: Ze kunnen ons onmogelijk nù al gevonden hebben...

JAN: Als ze ons al zoeken...

SONJA: Niemand weet dat wij hier wonen, Jan... Ze kunnen ons onmogelijk nu al gevonden hebben...

JAN: Als het je vader is, zal hij weer gedronken hebben.

SONJA: Dan gaat hij schreeuwen.

JAN: En zijn vuisten gebruiken.

SONJA: Hou ermee op, Jan! Het kàn mijn vader niet zijn!

JAN: Míjn vader dan?

SONJA: Kijk door het raam. Maar voorzichtig hé. Dat ze je niet opmerken...

Jan staat op en loopt naar voor, staart door een ingebeeld raam de zaal in.

SONJA: Wie is het, Jan?

JAN: Hij staat te dicht bij de deur. Ik kan hem niet zien.

Er wordt nogmaals twee keer gebeld.

SONJA: We hebben geen parlofoon... Je moet gaan kijken, Jan... Je moet beneden gaan kijken... We kunnen ons hier toch niet blijven verstoppen als bange kleine kinderen?

JAN: Nee... Nee, we kunnen ons niet blijven verstoppen... Ik ga naar beneden.

SONJA: Maar laat hem niet binnenkomen, hé? Wie het ook is... laat hem niet binnenkomen!

JAN: (gaat af langs de buitendeur) Nee... Ik laat hem niet binnenkomen.

SONJA: (roept hem achterna) En wees voorzichtig, Jan!

Sonja blijft bang achter. Ze bijt op haar nagels, loopt dan naar de buitendeur en draait ze op slot. Ze blijft staan, gaat aan tafel zitten, loopt naar voor, kijkt nerveus door een ingebeeld raam naar buiten, de zaal in.

SONJA: Het duurt zo lang... Waarom duurt het zo lang?

Ze luistert ingespannen.

SONJA: Ik hoor niks... Mijn vader zou schreeuwen...

Sonja loopt naar de buitendeur en legt er haar oor tegen. Op dat ogenblik wordt er aan de deurklink gemorreld. Sonja doet verschrikt een pas achteruit.

JAN: (OFF) Doe open, Sonja! Ik ben het! Jan!

SONJA: Ben je alleen?

JAN: (OFF) Wat dacht je?

Sonja opent de deur. Jan komt binnen met een antieke spiegel, waarvan het spiegelglas zwart blijft en geen spiegelbeeld weergeeft. Sonja doet de deur achter hem op slot.

SONJA: Wat is dàt?

JAN: Een spiegel. Een antieke spiegel.

Sonja kijkt in de spiegel.

SONJA: Hij geeft geen spiegelbeeld weer.

JAN: Nee...

SONJA: Het glas blijft zwart.

JAN: Hij is... wàs... bestemd voor meneer Dierickx.

SONJA: Hoezo?

JAN: (zet de spiegel tegen de tafel, doet een paar stappen terug, kijkt ernaar) Er stond een mannetje van een antiekzaak voor de deur. Meneer Dierickx had bij hen deze prachtige antieke zwarte spiegel besteld... Het ding was al betaald en zo, het moest alleen nog afgeleverd worden op een bepaalde datum...

SONJA: Vandaag?

JAN: Ja...

SONJA: Waarschijnlijk een cadeautje.

JAN: Ik zei aan het mannetje van de antiekzaak dat meneer Dierickx dood was. Misschien kunt u 'm dan aan een familielid van meneer Dierickx bezorgen, stelde het mannetje voor. Bij mijn weten had hij geen familie, zei ik. En toen zei het mannetje iets eigenaardigs... Aan een erfgenaam dan, zei hij. Iedereen heeft toch een erfgenaam?

SONJA: (lacht) Aan ons dus... Want in zekere zin zijn wij toch de erfgenamen van meneer Dierickx... Is het niet, Jan?

JAN: Ik weet het niet...

SONJA: Zodra je een beetje vertrouwd raakt met zijn spullen, begin je die best wel charmant te vinden...

JAN: Ik heb maar toegegeven... Om er vanaf te zijn. Goed, zei ik. Laat mij maar zorg dragen voor... voor de erfenis van meneer Dierickx.

SONJA: Een zwarte spiegel...

JAN: Ik heb getekend voor ontvangst en het ventje stoof er vandoor... Ik sjouwde de spiegel de trap op, maar nauwelijks had ik een paar passen gedaan, of de deur van de kamer van mevrouw Lemaire ging open... Vanuit haar zitkamer heeft ze mijn gesprek met die kerel van de antiekzaak afgeluisterd, ik weet het zeker.

SONJA: Onzin, Jan...

JAN: Ze keek me bijzonder vrolijk aan... Alsof ze binnenpretjes had.

SONJA: Je stelt je die dingen alleen maar voor.

JAN: Voor meneer Dierickx, zei ik met een knik naar het pak. En zij sloeg verrukt de handjes in elkaar en zei dat het zo goed was... dat het schitterend was! (neemt Sonja bij de arm, met aandrang) Nu vraag ik je Sonja... Wat is er zo schitterend aan dat cadeautje van meneer Dierickx? Aan die zwarte spiegel?

SONJA: (gefascineerd kijkend naar de spiegel) Hij is zeer mooi... Ongetwijfeld antiek... Kostbaar... (knielt bij de spiegel neer, strijkt over het oppervlak) Alleen al omdat het geen gewone spiegel is, dat zie je zo...

JAN: Sinds wanneer ben jij een expert in antiek?
SONJA: Het oppervlak is glad, maar het is niet van glas... (giechelt terwijl ze intens in de spiegel kijkt) Spiegeltje spiegeltje aan de wand... wie is de mooiste van het land? (staat op en kijkt om zich heen) Waar zouden we 'm ophangen?

JAN: Je bedoelt toch niet dat...?

SONJA: Zo'n mooi geschenk kunnen we toch niet weigeren, Jan!?

Sonja's zoekende blik valt op de omtrek van de spiegel die in het bloemetjesbehang van de achterwand zichtbaar is. Ze neemt de spiegel vast, houdt hem tegen de omtrek.

SONJA: Kijk eens aan! Hij past er perfect in! Zo zijn we meteen die lelijke vlek kwijt!

Sonja hangt hem aan de haak in de muur.

SONJA: En er zit op de goede hoogte zelfs een haak in de muur!

Ze doet een paar passen terug en bekijkt de opgehangen spiegel goedkeurend.

SONJA: Perfect is het! Gewoon perfect!

Licht fade out.

VIERDE SCENE

Licht fade in. Op hypnotische en bezwerende muzikale soundtrack:
Jan komt de kamer binnen en gaat op de plaats staan waar Sonja zonet nog stond. Hij staart naar de spiegel, die licht uitstraalt, als in trance.
Achter hem verschijnt Johannes Dierickx met de schrijfmachine. Hij zet die op de oude plaats en verdwijnt.

STEM JOHANNES:
Toen gebeurde het. Eensklaps werd ik mij bewust van een eigenaardige gewaarwording. Het voelde aan alsof... iéts... een ànder... een indringer... mijn hoofd binnen sloop. Iets dat van buiten kwam, dat naar binnen sloop en dat mij naar buiten probeerde te drijven. Dat... iéts... had kille klauwen en was veel sterker dan ik.

In de spiegel wordt langzaam een beeld geprojecteerd. Niet een spiegelbeeld van Jan dat er had moeten zijn, maar een portret van John Dee, een zestiende eeuwse magiër uit Engeland.

STEM JOHANNES:
Op hetzelfde moment keek ik tot mijn grote verbijstering naar een gezicht in de zwarte spiegel, dat MIJN gezicht niet was! Plotseling stond ik oog in oog met mijn spiegelbeeld: een oude man met lange haren en een lange baard, gelig wit van kleur. Hij had strenge ogen en dunne lippen en hij droeg een vreemd hemd met een kanten kraag. Vreemd genoeg, moest ik toen onwillekeurig denken aan die houten popjes die zo perfect in elkaar passe. En het volgende ogenblik zat ik... één vreselijk ogenblik lang... in de huid van de man met de dunne witte haren en baard... als een popje dat perfect in een iets groter popje paste... Het volgende ogenblik...

JAN: ... was ik niet langer een jongeman van negentien die Jan heette, maar...

STEM JOHN DEE:
Ik heet John, en ik ben éénentachtig... Aangenaam!
Ik heet John, en ik ben éénentachtig.... Aangenaam!

STEM JOHANNES (simultaan):
Ik heet Johannes en ik ben zevenenveertig... Aangenaam!
Ik heet Johannes en ik ben zevenenveertig... Aangenaam!

Jan zakt schreeuwend op zijn knieën, handen op zijn oren, als gehypnotiseerd starend naar het geprojecteerde portret in de spiegel.

JAN: Ik heet Jan en ik ben negentien!
Ik heet Jan en ik ben negentien!

Naar een climax. Dan alle muziek, geluiden, licht en projectie bruusk uit.

VIJFDE SCENE

Licht fade in.
De zwarte spiegel hangt niet meer aan de muur. Ook de schrijfmachine staat er niet meer.
Jan zit aan de tafel te studeren. Sonja komt in haar ochtendjas, met een kop koffie in de hand, uit de tussendeur. Slaperig gaat ze tegenover Jan aan de tafel zitten. Haar blik valt op de omtrek op de muur, waarin de zwarte spiegel heeft gehangen.

SONJA: Heb jij de spiegel van de muur gehaald, Jan?

JAN: (zonder op te kijken) Wie anders?

SONJA: Wat heb j'ermee gedaan?

JAN: Samen met die kapotte schrijfmachine bij het groot vuil gezet, buiten.

SONJA: Maar...

Ze staat op en maakt aanstalten om naar buiten te lopen, maar Jan springt op en houdt haar tegen.

JAN: Durf dat ding niet opnieuw naar binnen te brengen, Sonja!

SONJA: Maar waarom niet!?

JAN: Omdat het niet goed is! Ik krijg er nachtmerries van!

SONJA: Nachtmerries?

JAN: Ja!
Ze gaan weer zitten.

SONJA: Door de spiegel? Nachtmerries?

JAN: Dat ding bezorgt me de koude rillingen...

SONJA: Waarvan droom je dan?

JAN: (opnieuw studerend) Dat herinner ik me niet meer.

SONJA: (na een lange pauze) Je bent bang dat ze ons hier gaan vinden, hé Jan? Dààrvan krijg je nachtmerries. Niet van een stomme spiegel!

JAN: Laat me nu studeren, Sonja. Ik probeer te studeren. Ik moét studeren.

SONJA: Je hoeft niet bang te zijn, Jan... Als dit alles achter de rug is, zullen we er stérker uit te voorschijn komen dan we ooit waren, daar ben ik zeker van... We zullen er ànders uit te voorschijn komen.

JAN: Ik wil niet veranderen. Ik voel me goed in m'n vel.

SONJA: Voel je je dan niet sterker worden? IK voel me sterker worden, Jan. Van dag tot dag. Alles om je heen wordt anders... en jijzelf verandert méé...

JAN: En ik moet die vertaling ook nog afwerken.

SONJA: Ik was een bang meisje, vroeger... Maar nu leer ik op eigen benen te staan. En ik zie dat het kàn... op eigen benen staan. We hebben hén niet nodig, Jan. Mijn ouders niet en jouw ouders niet. (legt haar hand op zijn hand) En hou nou asjeblief even op met dat eeuwige studeren van je! Luister naar me!

Jan kijkt op van zijn boek.

SONJA: Ik mis zelfs mijn ouwe spullen niet meer, Jan... Die heb ik allemaal in mijn oude huis achtergelaten, samen met mijn oude, bange vel... We hebben alleen het hoogstnodige meegenomen en zo is het goed... Dit alles moet de start worden van een nieuwe periode in ons leven, Jan... Een periode zonder ouders... Zonder geboden en verboden... Vrij... Eindelijk vrij! Jij studeert te veel, Jan... Dan kun je je niet vrij meer voelen. Dan kun je de verandering niet meer voelen. Je werkt veel te hard, m'n jongen, en daar krijg je nachtmerries van.

JAN: Ik studeer niét.

SONJA: Nee? En wat doe je dan wel?

JAN: (toont haar het boek waarin hij leest) Ik lees... zijn boeken.

SONJA: De boeken van meneer Dierickx?

JAN: Er zijn heel oude, maar ook tamelijk moderne boeken bij. Ze gaan bijna zonder uitzondering over magie, astrologie, reïncarnatie en dat soort dingen. Sommige zijn in het Latijn geschreven, andere in het Nederlands, een boel ervan zelfs nog in oude spelling. En voor de rest... Frans, Engels, Duits...

SONJA: (glimlacht) Zeg es, heb jij soms een inventaris opgemaakt of zo?

JAN: (staat op, gaat tot voor een boekenrek) Merkwaardig is, dat er maar weinig romans bij zijn, dat het bijna uitsluitend om wetenschappelijke werken gaat. Nu ja, wetenschappelijk...

Jan neemt een boek uit het rek en gooit het op de tafel voor Sonja.

JAN: Lees de titel eens.

SONJA: (neemt het boek vast, leest de titel:) Geschriften van de graaf van Saint-Germain, door de eeuwen heen.
JAN: De biografie van een edelman, die een paar dozijn eeuwen geleden werd geboren en nog altijd in leven is, omdat hij voortdurend het lichaam van een jonger iemand in bezit neemt. Dat beweert de schrijver van dat boek tenminste. Daarom gaf hij er waarschijnlijk de voorkeur aan anoniem te blijven.

SONJA: Hoe weet jij dat?

JAN: Ik heb het gelezen. Meneer Dierickx moet erg geïnteresseerd geweest zijn in de Geschriften van de graaf van Saint-Germain, door de eeuwen heen. Want hij heeft er een heleboel aantekeningen in gemaakt. Kijk maar.

Sonja bladert door het boek en kijkt er hier en daar in. Jan neemt een andere titel uit het rek.

JAN: Een ander boek dat meneer Dierickx nogal geobsedeerd moet hebben, als je op de vele aantekeningen in de marge mag afgaan...

Hij gooit het boek op de tafel. Sonja leest de titel.

SONJA: John Dee, de grootste magiër aller tijden.

JAN: Net zoals in het boek over de graaf van Saint-Germain, kun je uit de aantekeningen weinig of niets opmaken. Meestal zijn ze onleesbaar en als ze wél leesbaar zijn, heeft meneer Dierickx ze geschreven in een mengelmoesje van oud- Engels, oud-Frans en Latijn.

SONJA: (leest in het boek) De grootste magiër aller tijden was ongetwijfeld de Engelsman John Dee, geboren in 1527, overleden in 1608.

JAN: Het begon al toen hij nog student was aan de universiteit van Cambridge. Voor een toneelopvoering ontwierp hij... (hij wijst theatraal naar de schets aan de muur) ... een vliegmachine in de vorm van een kever!

Sonja kijkt naar de schets van de vliegmachine in de vorm van een kever aan de achterwand, slikt moeilijk.

SONJA: (schor) Toeval.

Fade in: muzikale soundtrack met stemmen.

STEM JOHN:
Ik heet John en ik ben éénentachtig.

STEM JOHANNES:
1527-1608.

STEM JOHN:
Ik heet John en ik ben éénentachtig.

STEM JANE :
Ik heet Jane.

De stemmen worden telkens weer herhaald als in een trance, op het hypnotisch, obsederend muziekstuk.
Zowel Jan als Sonja schrikken. Sonja rent de kamer uit en verdwijnt door de tussendeur. Jan zakt met de handen op zijn oren op zijn knieën, angstig starend naar de omtrek waarin de zwarte spiegel heeft gehangen.
De muziek en de stemmen houden abrupt op. Sonja keert terug.

SONJA: Het leek van boven te komen.

JAN: Nee... Nee, het kwam van beneden.

SONJA: Uit de kamer van mister Kelly. Waarschijnlijk zat hij te repeteren.

JAN: Hoe wisten ze waar we over bezig waren? Ze luisteren ons af! Het kan niet anders! Mevrouw Lemaire moet hier achter zitten! De feeks! Ze doet het opzettelijk! Ze...

SONJA: Onzin, Jan! Het zal mister Kelly geweest zijn, die zat te repeteren. Die gewoon zat te repeteren. En roep niet zo hard! Straks hoort mevrouw Lemaire ons nog!

JAN: Horen doet ze ons toch! Die heks hoort àlles! Ziét alles! Ze...

SONJA: Zwijg nu, Jan! Zwijg!

JAN: (neemt haar bij de armen) Laten we hier weggaan, Sonja! Nu meteen! Nu het nog kan!

SONJA: (schudt hem van zich af) Ik denk er niet aan! Waar vind je nog een flat voor zo'n spotprijsje? Of wil jij terug naar huis, misschien? Naar je papaatje en je mamaatje? Nou, IK in ieder geval niét, Jan! Ik niet!

JAN: Ze betovert ons... Ze behekst ons... Ze...

Er wordt twee keer op de buitendeur geklopt.

JEANNE: (OFF) Sonja...? Jan...? Alles in orde met jullie?

SONJA: (fluistert) Zie je nu wel! (roept) Alles in orde, mevrouw Lemaire! (fluistert) Ik kleed me aan en we gaan de stad in, we gaan gezellig met z'n tweetjes wat wandelen, een frisse neus halen... en daarna gaan we eens lekker eten... En jij zet die onzin uit je kop, Jan... Hoor je? Jij zet die onzin uit je kop!

Licht fade out.

ZESDE SCENE

Schemerlicht fade in. Muzikale soundtrack fade in.
De spiegel hangt er weer.
Diaprojectie: in de spiegel wordt het portret van John Dee geprojecteerd.

STEM JOHANNES:
De grootste magiër aller tijden was ongetwijfeld de Engelsman John Dee, geboren in 1527, overleden in 1608. Het begon al toen hij nog student was aan de universiteit van Cambridge. Voor een toneelopvoering ontwierp hij een vliegmachine in de vorm van een kever.

Jan verschijnt vanuit de tussendeur en gaat naar het rek met boeken. Hij neemt, als in trance, een boek uit het rek, slaat het open en leest erin.
Diaprojectie: Johannes Dierickx staat op dezelfde plaats als Jan in dezelfde houding een boek te lezen in dezelfde kamer.
Als de stem weerklinkt, lijkt Jan die niet te horen:

STEM JOHANNES:
De professoren van John Dee meenden dat zo'n vliegende kever van metaal, zo'n ongeïdentificeerd vliegend voorwerp, alleen vervaardigd kon zijn met behulp van zwarte kunst. John Dee moest Cambridge dus verlaten en trok naar Leuven, waar hij een tijdje wiskunde en aardrijkskunde doceerde. Hij ontfutselde de beroemde Vlaamse geleerde Mercator daar ook twee aardbollen.

Jan kijkt naar de aardbol.
Diaprojectie: Johannes kijkt in dezelfde houding vanop dezelfde plaats naar dezelfde aardbol in dezelfde kamer.

JAN: Is het mogelijk?... Is het mogelijk dat die antieke wereldbol al vier eeuwen oud is?

Diaprojectie: Johannes Dierickx staat op dezelfde plaats als Jan in dezelfde houding een boek te lezen in dezelfde kamer.
Jan keert op zijn uitgangspunt terug en leest verder in het boek.

JAN: (leest) Op die manier kreeg John Dee er een weinig benijdenswaardige reputatie bij. Die van spion en geheim agent van de Engelse kroon. Nochtans was het op dat moment nog lang geen koek en ei tussen John Dee en de Engelse kroon. Dee was namelijk protestant en koningin Mary was katholiek. Ze vervolgde iedereen die er een andere overtuiging op nahield, zelfs haar jongere halfzusje Elizabeth.

Diaprojectie: Jeanne Lemaire, in nachtjapon, zet de schrijfmachine terug op haar plaats, en kijkt terwijl richting Johannes.
Sonja, in een identieke nachtjapon als Jeanne Lemaire, verschijnt uit de tussendeur met de schrijfmachine in haar armen en zet die op haar plaats. Ze blijft erbij staan en kijkt naar Jan.

SONJA: Jan?

STEM JEANNE:
Johannes?

SONJA: Kom naar bed, Jan.

STEM JEANNE:
Kom naar bed, Johannes.

JAN (leest) + STEM JOHANNES:
Nu werkte er een nichtje van John Dee als kamermeisje in het kasteel van Woodstock, waar Elizabeth gevangen werd gehouden. Het nichtje smokkelde een reeks horoscopen naar Elizabeth, waarin John Dee haar een lang leven en een hoge positie voorspelde. Geheim agenten van koningin Mary onderschepten de brieven. Dee werd prompt in de gevangenis gegooid, op beschuldiging van ketterij en van een magische samenzwering tegen het leven van de koningin.

Diaprojectie: Jeanne, in nachtjapon, heeft haar armen om Johannes heen geslagen.
Sonja loopt naar Jan toe en slaat haar armen om hem heen. Jan reageert niet.

SONJA: Jan?

STEM JEANNE:
Johannes?

SONJA: Kom naar bed, Jan.

STEM JEANNE:
Kom naar bed, Johannes.

JAN (leest) + STEM JOHANNES:
Toen Elizabeth na Mary's dood in 1558 aan de macht kwam, raadpleegde zij John Dee regelmatig.. De datum van haar kroning tot Elizabeth I van Engeland werd door de magiër vastgesteld en Elizabeth belastte John met een paar mysterieuze opdrachten op het vasteland. Zo werd John Dee, die nu stilaan roem begon te verwerven als 'doctor Dee', een vaste klant van de Antwerpse drukker, uitgever en boekhandelaar Christoffel Plantijn, die ook aardig wat landkaarten, wereldbollen, spiegels en sterrekundige instrumenten verkocht.

Onder de volgende repliek (stem John Dee) volgt een snelle diamontage, steeds geprojecteerd in de spiegel, van de landkaart aan de muur, de aardbol, de schets van de vliegmachine en de zwarte spiegel, die eindigt met het portret van John Dee.

STEM JOHN DEE:
Landkaarten, wereldbollen, spiegels en sterrekundige instrumenten...

Diaprojectie: een kristallen bol.

JAN: (vertellend, tot Sonja) Uit de winkel van Plantijn bracht John Dee een kristallen bol mee naar Engeland. Dagenlang zat hij in de bol te turen, zonder iets opmerkelijks te zien. Om de toekomst te zien in de kristallen bol, had hij blijkbaar een helper nodig, een 'ziener' die deze zwarte kunst machtig was. Hij vond er één in de persoon van Edward Kelly...

SONJA: Kom naar bed, Jan.

JAN: Kelly...

Diaprojectie: Jeanne Lemaire, in nachtjapon, kust en streelt de roerloze Johannes, die nog met het boek in de hand staat.
Sonja kust en streelt de roerloze Jan, die nog met het boek in de hand staat.

STEM JEANNE:
Kom...

JAN: Kelly!

SONJA: Kom nu bij mij...

JAN: Kelly...

STEM JEANNE:
Kom!

JAN: ... die wegens schriftvervalsing reeds zijn beide oren had kwijtgespeeld! De zwarte kap die zijn littekens moest verbergen, droeg nog bij tot zijn sinistere reputatie, Sonja. Volgens sommigen had Kelly...

STEM JOHN DEE:
... de afschuwelijke kunst der necromantie...

JAN: ... bedreven, oftewel:

STEM JOHN DEE:
... het duivelse ondervragen van de doden, om op die manier toekomstige gebeurtenissen te leren kennen.

Diaprojectie: een engel met de zwarte spiegel.

STEM JOHANNES:
Gewoonlijk zat Dee naast Kelly en noteerde hij wat de ziener zag. Maar in november 1582, tegen zonsondergang, zag Dee zélf iets. In het westelijke venster van zijn laboratorium doemde plotseling een gedaante op, die een schitterend gepolijste zwarte spiegel droeg.

STEM ENGEL:
Een geschenk voor doctor Dee!

JAN: In deze zwarte spiegel zou Kelly de visioenen zien die doctor Dee beroemd maakten.

Diamontage: van de rijzige mooie vrouw die door de zwarte man naar het schavot wordt geleid; van de ondergang van de Spaanse Armada.

STEM JOHANNES:
Zo noteerde John Dee in 1583 heel gedetailleerd wat Edward Kelly in de zwarte spiegel had gezien: de onthoofding van een rijzige, mooie vrouw door een zwarte man. Aansluitend daarop kreeg Kelly een waarschuwing door voor een aanval over zee door een buitenlandse macht. Hij had een visioen waarin de zee met schepen bezaaid was en hij hoorde een stem die zei dat de veiligheid van Engeland door een grote vloot werd bedreigd.

JAN: Maria Stuart, koningin van Schotland en een levenslange rivale van Elizabeth, werd in 1587 terechtgesteld, zoals Dee het beschreven had. En in 1588 zeilde de Onoverwinnelijke Armada van het trotse Spanje richting Engeland, maar de Engelsen wachtten de vloot op in Calais. Ze richtten een ware slachting aan en achtervolgden de Spaanse schepen langs de Hollandse kust.

STEM JOHANNES:
Doctor Dee en Edward Kelly gebruikten de zwarte spiegel echter lang niet alleen om er toekomstige gebeurtenissen in te zien. Zij deden er ook experimenten mee, waardoor hen getoond moest worden hoe zij lood in goud konden veranderen. En volgens sommigen zouden zij er samen met de echtgenote van de doctor, Jane Fromond, ook de proefnemingen mee verricht hebben, waaraan John Dee de bijnaam 'Gezel van de Hellehonden' verdiende.

STEM JEANNE:
Kom mee, John...

SONJA: Kom mee, Jan...

STEM JEANNE:
Kom mee, Johannes...

SONJA: Kom nu mee naar bed...

STEM JEANNE:
Kom bij mij...

SONJA: Kom...

Diaprojectie: Johannes draagt Jeanne naar de sofa.
Jan draagt Sonja naar de sofa.
Diaprojectie: Johannes vrijt met Jeanne op de sofa.
Jan vrijt met Sonja op de sofa.

STEM JEANNE:
Kom nu... Kom nu maar bij mij, Johannes... Kom nu maar, John... Kom... Kom nu maar bij mij, Jan... Kom nu maar, John... Kom, Johannes... Kom... Kom... Kom...

SONJA (simultaan met stem Jeanne): Kom nu, Jan... Kom nu maar bij mij... Kom nu maar... Kom... Kom nu maar bij mij, Jan... Kom nu maar Jan... Kom, Jan... Kom... Kom... Kom...

STEM KELLY:
Logaeth seg lovi brtnc
Larzed dox ner habzilb adnor
doncha Larb vors hirobra
exi vr zednip taiip chimvane
chermach lendix nor zandox

Alle lichten, geluiden en muziek bruusk uit..
Einde van het eerste bedrijf.